Bij Allen is alles no-nonsense

Interview Jesse Eisenberg, superfan van Woody Allen, speelt de hoofdrol in diens ‘Café Society’.

De naïeve Bobby (Jesse Eisenberg) krijgt een baantje bij zijn oom, een studiobons. Na een mislukte liefdesaffaire in LA ontmoet hij Veronica Hayes (Blake Lively). ©

Als surrogaat van Woody Allen (80) overtuigt hij meer dan voorgangers als Owen Wilson of Kenneth Branagh. Maar net als bij hen, klinkt zijn stem in de film Café Society een beetje zoals die van Woody Allen, met een nasaal jengeltje.

„Echt?”, vraagt acteur Jesse Eisenberg (32) met een gepijnigde frons. „Ik deed zo mijn best om niet als hem te klinken. Ik wilde de jonge Bobby spelen als naïef, eerlijk, niet sarcastisch.” (Korte pauze) „Dat gezegd zijnde: Woody Allen schreef het script en stond op een halve meter afstand de regie te doen. Het is onmogelijk niet beïnvloed te raken.”

Zeker als hij zo’n idool van je is. Superfan Jesse Eisenberg (Facebookoprichter Mark Zuckerberg inThe Social Network) speelt de hoofdrol in Café Society, de nieuwste Woody Allen die in mei het filmfestival van Cannes opende. Decor is het gouden Hollywood van de jaren dertig en de jetset van New York in de vroege jaren veertig, met Eisenberg als de naïeve Bobby die een baantje krijgt bij zijn oom, een studiobons, maar valt voor diens secretaresse Vonnie. Complicatie: zij heeft een affaire met de oom.

Een weelderige kostuumkomedie: je ziet dat Allen ditmaal werkt met een royaal budget van Amazon Studio’s. Hij oogt rustig en alert in Cannes, hoewel zijn zoon Ronan hem voor de rode loper opnieuw van seksueel misbruik van zijn zusje Dylan beticht. De sterren van Café Society wuiven dat weg als een sneue, oude familieaffaire, de film landt goed bij de pers.

Dreigend voorbeeld

Jesse Eisenberg, bekend om zijn manische intensiteit, heeft zijn eigen geschiedenis met Allen. Ze worden vaak met elkaar vergeleken. Beiden groeiden op in New York en werkten op Broadway: Allen als schrijver, Eisenberg als acteur. Beiden schreven scripts en stukjes voor The New Yorker. Na Cannes vliegt Eisenberg naar New York voor zijn regiedebuut: een pilot voor een tv-serie naar zijn verhalenbundel Bream Gives Me Hiccups.

Woody Allen keert in Café Society terug naar zijn joodse roots in Brooklyn. Bobby’s benauwde flatje vol Engels kibbelende en Jiddisch scheldende familie: dat is Allens eigen jeugd. Eisenberg koestert enige nostalgie naar die tijd, zegt hij. Toen joden in Amerika nog „mysterieus en een tikje gevaarlijk” waren.

In zijn eigen toneelstuk The Spoils , contrasteert hij een passieve, zelfvoldane joodse jongen van nu met een gretige Nepalese immigrant. Eisenberg: „Joden zijn heel succesvol geassimileerd in de Amerikaanse cultuur, dat begon ten tijde van Café Society. Prachtig, maar we zijn allang niet meer hongerig en desperaat en zullen nooit meer zoiets als Hollywood oprichten. Toen werden we overal geweerd en konden we nauwelijks advocaat of dokter worden.”

Voor de middelbare scholier Jesse Eisenberg was Woody Allen zo’n lichtend voorbeeld dat hij een script schreef over hem. Hij stuurde het op. De enige reactie: een dreigende ‘cease and desist’-brief van Allens advocaat. „Leuk dat jullie dat hier even ter sprake brengen”, zegt Eisenberg op de persconferentie in Cannes. „Wij hebben het er nooit over gehad.” Op de pokerface van Woody Allen naast hem geen spoortje nieuwsgierigheid.

Echt niet, vraag ik Eisenberg een dag later tijdens rondetafelgesprekken in Hotel Carlton. Dat is toch een leuke anekdote? Eisenberg: „Ik denk niet dat hij geïnteresseerd zou zijn. Woody is extreem kortzichtig in de beste betekenis van dat woord: totaal gefocust op het werk van dat moment. Die oogkleppen maken hem zo productief. Je voelt je bezwaard hem af te leiden met je geinige anekdote.”

Toch schemert er lichte frustratie door als we Eisenberg vragen over zijn eerste ervaring met Allen: hij speelde in diens (matige) ensemblefilm From Rome with Love (2012) de jonge architect Jack. „Ik heb hem toen niet ontmoet, eerlijk gezegd. Ik kwam op de set in Rome, de assistent-regisseur zei: ‘Ga maar op het kruisje staan en zeg je tekst’. Woody stond ergens achterin, ik hoorde ‘cut’, en weg was hij. De volgende scène ging net zo. Woody had haast, hij wilde basketbal zien die avond, geloof ik. Het voelde wel vreemd. Ik kom uit het theater waar je voor de première twee maanden intensief met een regisseur werkt.”

Weinig attent toch? „Het geeft ruimte. Woody vertrouwt op zijn acteurs en hoeft niet elk moment te controleren.”

Het kostte Woody Allen tijd om in te zien dat Jesse Eisenberg een acteur was. In Café Society verandert diens personage Bobby van „een Candide- figuur, nerveus, onrijp en oprecht” naar een gladde praatjesmaker.

Eisenberg: „Bij de eerste opnames bleef Woody maar zeggen: ‘Zeg, als Bobby straks tien jaar ouder is kan je hem niet zo spelen als nu hoor.’ Ik: ‘Was ik ook niet van plan’. Woody: ‘Je moet dan juist zelfvertrouwen uitstralen, gaat dat lukken? Ik: ‘Natuurlijk.’ ‘Want uh, we draaien die scènes dinsdag al.’ ‘Dat weet ik. Maar …’”

Een snelcursus bescheidenheid

Eisenberg zucht: „Woody castte me omdat hij dacht dat ik echt zo nerveus en naïef ben, niet als een acteur die zelf een plan maakt voor zijn personage. Dat ontdekte hij pas tijdens de montage.” Woody Allen praat in Cannes inderdaad wat verbaasd over Eisenberg. „Weet u, ik ben maar een komiek, ik speel steeds hetzelfde. Hij is een acteur!”

Op Allens filmset is alles no-nonsense: hij filmt een scène liefst vanuit één hoek, zonder veel extra shots die meer opties geven in de montageruimte. Corey Stoll, die een joodse gangster speelt: „Ik kreeg in 2010 de rol van Ernest Hemingway in Midnight in Paris en was als een kind zo blij. Ik las alles wat over hem te lezen was. Toen kwam ik naar de set voor mijn solo en zag Woody vijf minuten later al in de auto stappen op weg naar de volgende locatie. Hij vergat zelfs ‘cut’ te roepen. Dat bevrijd je als acteur wel van de illusie van controle.”

Toch tekent bijna elke acteur blindelings voor een minimaal salaris als hij belt, zegt Stoll. „Zelfs een mindere Woody Allen is filmgeschiedenis.” Behalve prestige lonken prijzen: Allens films leverden acteurs achttien Oscarnominaties en zeven Oscars op.

Een „ongewoon proces” blijft het, zegt Eisenberg. Woody Allen is een snelcursus bescheidenheid. „Amerikaanse films werken soms jaren om een filmster binnen te halen, die dan de geldschieters over de streep moet trekken. Woody heeft dat geld al. Hij verzint bij elke rol gewoon een lijstje acteurs en streept dat dan af, heel gestroomlijnd. En je weet nooit hoe hoog je precies op zijn lijstje stond.”