De ‘naderende eindtijd’ van IS kennen we uit de Gouden Eeuw

Het discours waarmee IS geweld legitimeert komt ons bekend voor, stellen vier wetenschappers.

Gezicht op Olinda. Brazilië. Frans Jansz. Post, 1662. Nederlanders veroveren in de 17de eeuw grote delen van de Braziliaanse kust op de Portugezen. Eerst viel de stad Olinda, met hier een geruïneerde, maar nog in gebruik zijnde kathedraal. Illustratie Rijksmuseum

De onthoofdingen, terreuraanslagen, massaslachtingen en slavernij van de Islamitische Staat (IS) roepen afschuw en angst op in de westerse wereld. Het geweld en de ideologie die eraan ten grondslag ligt, lijken mijlenver verwijderd van onze samenleving. Toch is IS minder uitzonderlijk dan het op het eerste gezicht lijkt. Er zijn talloze historische parallellen te trekken die ons wat kunnen leren over heden en verleden; parallellen die duidelijk maken dat de boodschap en acties van IS minder ver van ons afstaan dan we graag zouden denken.

Een opvallend voorbeeld hiervan is de rol die eindtijdverwachtingen spelen in de ideologie en handelingen van IS. De heroprichting van het kalifaat, het gebruik van zwarte vlaggen en de strijd tegen een wereldwijde coalitie van ‘ongelovigen’ in het historische Sham (Syrië) worden door IS geïnterpreteerd vanuit het perspectief van de naderende eindtijd. Zelfs het tot slaaf maken van duizenden yezidi-vrouwen wordt in het IS-magazine Dabiq gevierd als één van de ‘tekenen van het Uur’ dat aantoont dat de grote eindstrijd tussen gelovigen en ongelovigen nabij is en de overwinning lonkt. Door verovering, verdrijving en barbaars geweld zal Gods heerschappij op aarde worden hersteld.

Waar dergelijke voorstellingen op ons nu vervreemdend werken, speelden vergelijkbare opvattingen een prominente rol in de Nederlandse Gouden Eeuw – toch vaak gezien als de grondslag van onze tolerantie en openheid. Ook hier werden namelijk volop eindtijdverwachtingen en andere religieuze voorstellingen gebruikt om geweld en kolonisatie in de Nieuwe Wereld te legitimeren.

Zo steunde de Republiek der Zeven Nederlanden meerdere expedities naar Peru om daar een opstand van Bijbelse of zelfs apocalyptische proporties uit te lokken tegen de katholieke Spanjaarden, die door het brein achter de expedities, Johan Aventroot, geassocieerd werden met de Hoer van Babylon uit Openbaringen 17 en dus werden gezien in het licht van de naderende eindtijd. Ook het reilen en zeilen van de West-Indische Compagnie in Amerika werd verbonden met religieuze overtuigingen. Steeds vaker begon protestants Nederland zichzelf te zien als de door God verkozen ‘roede’ om de katholieke Spanjaarden te straffen voor hun vergrijpen, en als Gods instrument om de Indianen te redden uit paapse klauwen en te bekeren tot het ‘ware’ geloof.

Nederlandse overwinningen in Amerika werden gevierd als tekenen van Gods goedkeuring en uit naam van God en diens wil werden de ergste vergrijpen jegens de Spanjaarden en Portugezen goedgepraat. Nederzettingen werden aangevallen en ingenomen, schepen werden overvallen, en Piet Heins plundering van de zilvervloot, eigenlijk een daad van ordinaire piraterij, verhief hem praktisch tot de status van heilige – een positie die hij tot op heden heeft behouden.

Hand in hand met de pogingen om de Amerikaanse Indianen te bekeren, ontstonden vergezochte theorieën over de herkomst van deze volken, van wie het bestaan vanuit de Bijbel op het eerste gezicht moeilijk verklaard kon worden. Zo raakte het idee in zwang dat de Indianen een verloren gegane stam van het Jodendom zouden zijn. Een Amsterdamse rabbi, Menasseh ben Israel, schreef het verhaal op van een Spanjaard, Montezino, die hoog in de Andes Israëlieten ontmoet had die vlekkeloos de Schema (Deuteronomium 6.4-25) voordroegen, enkele wetten van Mozes naleefden, en zeiden bij het volk van Ruben te horen. Zulke theorieën vonden gretig aftrek aan beide zijden van de Atlantische oceaan. Zo zagen Engelse dominees joodse trekken als ‘besnijdenis’ en taalkundige ‘Hebreeuwsheid’ bij de Indianen rondom Boston.

In streng calvinistische kringen bevestigden dit soort speculaties de noodzaak van verdere kolonisatie en bekering. Theologisch was de joodsheid der Indianen namelijk van belang: in de bijbelse profetieën van Zacharias wordt het einde der tijden voorafgegaan aan de bekering van de joden, waarbij diegenen die hen na staan ook gered zullen worden. Gelegitimeerd door zulke overtuigingen namen christelijke missies vaak het voortouw bij het onteigenen en verdrijven van Indianen, die dikwijls moesten verhuizen om gered te worden, als ze niet (ook) tot slaaf werden gemaakt of uitgeroeid. Zo zouden territoriumdrift en onderdrukking het Armageddon hopelijk bespoedigen.

Hoewel de verschillen tussen de Nederlandse Gouden Eeuw en de Islamitische Staat talrijk zijn, is het belangrijk dergelijke parallellen te trekken. Het laat bijvoorbeeld zien hoe religieuze overtuigingen en eindtijdverwachtingen in specifieke situaties geweld kunnen legitimeren en motiveren. Daarnaast nuanceren ze ons beeld van het verleden en het heden waardoor we zowel de retoriek van IS beter doorzien, als Hollandse helden nuchterder beschouwen.

IS blijkt niet zo uitzonderlijk als vaak gedacht en de tegenstelling tussen een onverdraagzame en gewelddadige islam tegenover het tolerante, uit joods-christelijke wortels opgebloeide Westen is minder strikt dan ze wellicht lijkt. Het bloedvergieten van IS blijkt ons een historische spiegel voor te houden, waarvan we maar al te graag zouden willen wegkijken.