Oog in oog met een beer

Flessenpost uit de VS

Schrijfster Pia de Jong woont met haar gezin in Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Halverwege een ochtendwandeling tijdens onze vakantie in het sprookjesachtige berglandschap van Colorado loop ik tegen een vervaarlijk roofdier aan met grote slagtanden. Gelukkig is het slechts een afbeelding van een poema. Warning Mountain Lion, staat er in dikke zwarte letters op het gele bord.

Niet rennen, kijk hem niet in de ogen, spreid je armen zodat je groot lijkt, en houd je kinderen dicht bij je. Dat is nog eens wat anders dan het waarschuwingsbord voor overstekende dassen in het dorp Leeuwen waar ik opgroeide.

Hoewel ik schrik, vind ik het ook een sterk verhaal om thuis te vertellen. Tot ik een paar dagen later lees dat een moeder nog maar net haar kleuter uit de bek van een poema wist te trekken, niet ver hiervandaan. Daarnaast een foto van het neergeschoten dier.

Die nacht, in ons appartement, schrikken we allemaal wakker van een oorverdovende herrie buiten. Buiten zien we een berenfamilie met grof geweld rammelen aan de vuilniskratten die met dikke ijzeren hangsloten aan de grond verankerd zijn.

Altijd de deuren afsluiten, ook als je thuis bent, waarschuwde de huiseigenaar. Beren komen namelijk zonder pardon binnen, openen de koelkast en vreten alles op. We letten allemaal goed op.

Maar wanneer ik vlak voor vertrek de sleutel van het appartement wil inleveren, sta ik bij de verlaten receptie alsnog oog in oog met een beer. Niet aankijken, herinner ik me van het briefje dat we bij aankomst in de hand gedrukt kregen. En vooral niet wegrennen, want daar schrikken ze van.

Terwijl ik trillend tegenover de doodgemoedereerd rondscharrelende beer sta, hoop ik vurig dat mijn in de auto wachtende familie niet binnenstormt om te vragen waar ik blijf.

De natuur in Amerika is, net als de porties eten, een maatje groter dan in Nederland. Heftiger, feller. In Nederland wanen we ons in principe veilig, de natuur hebben we goeddeels onder controle.

Veelzeggend is de manier waarop Europeanen en Amerikanen omgaan met hun tuin. Amerikanen zien de ruimte om hun huis als een barrière tussen hen en de gevaarlijke natuur. De tuin is meer een getemd stuk bos, een ideaalbeeld van de wilde natuur. Voor Nederlanders is de tuin eerder een verlengstuk van hun huis. Onderdeel van de geciviliseerde binnenwereld die toevallig buiten is. Aangeharkt, met bloemetjes en plantjes om het gezellig te maken, bewoond door tuinkabouters. Het is moeilijk een beer langs het sierhekwerk van zo’n Hollands tuintje te zien waggelen.

Diep in de Amerikaanse psyche zit nog steeds de geest van de pioniers, de eerste kolonisten die voet zetten op een continent waar in iedere donkere hoek gevaar dreigde. De wildernis is altijd dichterbij dan je denkt.

De natuur is geen sprookjespark, hoe hard je ook je best doet dat ervan te maken. Gruwelijk was de dood van het tweejarige jongetje in Disneyworld deze zomer. Het was allemaal zo mooi: een jong gezin, een dagje uit in het Magic Kingdom. Tot vanuit het meertje tussen de hotelgebouwen plotseling een grote alligator opdook en het kindje het water in sleepte.

Nature, red in tooth and claw. De befaamde dichtregels van Alfred Lord Tennyson spoken door mijn hoofd.

„Wie vertrouwde dat God liefde was, en liefde de hoogste wet van de schepping, zag dat weersproken door de natuur, met zijn roodgekleurde tanden en klauwen, en alles opslokkende ravijnen.”

Reacties naar pdejong@ias.edu