Fietser redt automobilist

De Wegenwacht rijdt sinds maandag ook op de fiets naar pechgevallen. Het gaat om een proef in Den Haag en Amsterdam. Op de fiets moeten de klanten in de drukke binnenstad sneller bereikbaar zijn. Een dag op pad met Fred Wesselius.

De fietsende wegenwachter Fred Wesselius in Amsterdam. „Ja, die elektromotor heb ik echt wel nodig. Zonder kom ik op hellinkjes haast niet vooruit, joh.” Het aanhangertje weegt tachtig kilo. Foto’s Olivier Middendorp

„We zullen de bank eruit moeten slopen.” Wegenwacht Fred Wesselius (38) staat naast de BMW van Radjesh Bansradj (47). Hij heeft zojuist het portier open weten te krijgen met een opblaasbaar kussentje en daarna met een ijzeren hengel op allerlei knoppen gedrukt. Maar de kofferbak wil nog altijd niet open en daar liggen de autosleutels. Het autoalarm schalt door de parkeergarage. „Een BMW is echt mijn nachtmerrie”, zegt Wesselius terwijl hij in een van zijn gereedschapskistjes rommelt. „Die dingen zijn zó goed beveiligd.”

Tweede in Europa

Vandaag is Wesselius voor het eerst op pad om pechhulp te verlenen op zijn gloednieuwe e-bike, een zwarte fiets met het kenmerkende wegenwachtgeel op de stang. Zijn werkgebied: de Amsterdamse grachtengordel. Ook in de binnenstad van Den Haag rijdt sinds maandag een fietsende wegenwachter.

Pechhulp op de fiets is een drie maanden durende proef van de ANWB Wegenwacht. De bond verwacht dat de fietsende wegenwachten zich sneller en makkelijker door het drukke stadsverkeer kunnen bewegen. En het is ook nog eens goed voor de leefbaarheid en luchtkwaliteit in de steden. Nederland is volgens de ANWB na Oostenrijk het tweede land in Europa waar fietsende wegenwachters rondrijden. Als de proef een succes blijkt, volgen meer steden in het land.

Al tweeënhalf uur stonden Bansradj en zijn vrouw Yvonne (46) te wachten in de garage naast hun dichte auto. Bansradj had zijn verzekering al gebeld (die konden niets doen), daarna zijn autodealer („sla maar een ruitje in”) en nu dan maar de Wegenwacht.

Die is er, anderhalf uur na het belletje. Het streven van de Wegenwacht is om binnen een uur ter plaatse te zijn. Aan de fiets kan het niet liggen. Tien minuten na het binnenkrijgen van de melding stond Wesselius naast de auto. „Het is vakantietijd”, verklaart Wesselius. „Daardoor hebben we minder mensen op de weg en is het wat drukker.”

Ondertussen wordt de achterbank eruit geschroefd. „We zijn er”, roept Wesselius, terwijl de bank loslaat. Bansradj kruipt naar binnen om de sleutels te pakken. „Fantastisch, bedankt.”

De gereedschappen gaan weer terug in het aanhangwagentje. Tachtig kilo weegt het ding. „Ja, die elektrische aandrijving op mijn fiets heb ik echt wel nodig”, zegt Wesselius. „Zonder dat motortje kom ik op hellinkjes haast niet vooruit, joh.”

Hij rijdt de parkeergarage uit, waar voor de deur nog steeds een file in beide richtingen staat. „Als ik vandaag met de auto was, had ik dus achteraan moeten aansluiten, hè, om die garage in te komen. Sommige busjes van ons zijn zelfs te hoog om hier naar binnen te rijden. Op de fiets heb je nergens last van.”

Olivier Middendorp

Olivier Middendorp

Lijp van de auto

Al zeventien jaar werkt Wesselius bij de Wegenwacht. „Mijn vader was ook Wegenwacht. Als klein jongetje ging ik al met hem mee. Het zit in mijn bloed.”

Toen de ANWB met het plan voor de fietsende Wegenwacht kwam, solliciteerde hij meteen. „Met de auto in de drukke binnenstad, daar word je soms helemaal lijp van. En ik houd van fietsen. Dit geeft zoveel meer rust.”

Het is nog even wennen, zegt hij, maar Wesselius – blauwe polo, blauwe fietshandschoentjes, gele helm – zit er ontspannen bij op zijn fiets. Alles glanst. Van zijn gele aanhanger tot zijn gele helm. In de aanhanger zit van alles. Een compressor om banden mee op te pompen, een krik, een startaccu, allerlei gereedschap. „En bandenplakkers voor mijn fiets”, lacht Wesselius.

De volgende melding komt binnen. Een motorfiets die niet start. Op naar de Zoutkeetsgracht.

Rotzooi

„Een novum. Een novum”, jubelt Laetitia Walter (60). „De wegenwacht op de fiets. Dat is toch ook honderd keer sneller dan met de auto? Die auto raak je niet kwijt, ja in de grachten.” Ze wisselt juist van motor met haar zoon, zodat die snel door kan. Wesselius werpt een blik op de motor, een Honda. „Het is een oudje, hij was vroeger van mij”, aldus Walter. Wesselius probeert de motor al aanduwend weer aan de praat te krijgen. Hij loopt heen en weer over de gracht, uit de motor komen grote blauwe rookpluimen, zijn gezicht wordt steeds roder. „Die gozer wordt er goed moe van”, zegt Walter vanaf de zijlijn.

Olivier Middendorp

Olivier Middendorp

„Wat… een… ding… zeg.” Wesselius is buiten adem. „Die rook die eruit komt, dat is niet goed. Er is iets goed mis met de brandstof.” „Ja, mijn zoon gooit er rotzooi bij. Dat wilde hij ook al eens in mijn Canta gooien, maar dat wil ik niet hebben.” Wesselius knikt: „Uw zoon zadelt u met een lekker ding op dan.” „Ja, zullen we ’m maar meteen in de gracht gooien?” Er moet nieuwe benzine in de motor, maar die heeft Wesselius niet bij zich. Hij roept er een collega bij. „De volgende keer neem ik brandstof mee. In een kleine jerrycan. Daar kan ik nog wel plaats voor maken in m’n aanhanger. Dan gooi ik het water er maar uit.” Even later vult Peter Michielsen (40), wegenwachter op de motor, de tank bij. De motor pruttelt weer en Walter kan door.

Vrachtwagengevoel

„Jee, mooi fietsje, man.” Michielsen ziet de fiets van Wesselius voor het eerst en loopt er een paar rondjes omheen. Even later maakt hij zelf een ritje. „Lachen man, hij heeft een beetje een vrachtwagengevoel door dat bakkie erachter.”

Iedere dag rijden er in de Amsterdamse binnenstad twee wegenwachters op de motor rond. Ook ’s avonds. Daar komt nu één fiets bovenop, en dan alleen tussen negen en zes. „Zo krijgen we die auto’s langzaamaan wel het centrum uit”, aldus Michielsen, die zelf sinds 1998 op de motor zit. Zien we Wesselius straks alleen nog maar pechhulp verlenen op de fiets? „Nee, de auto blijft er altijd bij voor in de avond en de nacht. En in de winter is het ook wat lastig op de fiets.” De fiets overwint niet alles.

En door. Een half uur geleden waren er nog achttien wachtenden. Nu nog zes.