Bijten op die gouden plak. Waarom?

Foto's: AP/Reuters/AFP

Ze heeft breeduit gelachen, ze heeft gezwaaid, ze heeft gehuild, ze liet ook echt niet de medaille liefdeloos om haar nek hangen. Maar nee, Anky van Grunsven kan zich niet herinneren dat zij ooit op de foto stond met haar tanden in een van haar olympische medailles. „Nee, ik deed dat niet. Maar misschien heb ik het onbewust toch weleens gedaan hoor.” De Nederlandse dressuurkoningin won er immers een hoop. Zeven deelnames aan de Spelen: drie keer goud, vijf keer zilver en één keer brons. Zo’n medailleceremonie gaat nou eenmaal soms op de automatische piloot.

In haar tijd gebeurde het bijten in de medailles ook al wel, maar tegenwoordig zou Van Grunsven bijna de uitzondering op de regel zijn. Zondag stond Anna van der Breggen nog lachend met een gouden plak in haar mond, Emma Johansson en Elisa Longo Borghini deden met hun zilveren en bronzen vrolijk mee. Wie er ooit mee begon? Dat is onduidelijk. Een duik in beschikbare fotoarchieven laat zien dat in ieder geval in 1987 al iemand besloot zo voor de foto te poseren. Dat was de Britse Fatima Whithead na het winnen van het speerwerpen op de WK Atletiek.

En waar dat bijten dan vandaan komt? Ook daar is geen eenduidig antwoord op. Het bijten in goud zou een – niet bijster effectieve – manier zijn om de echtheid te testen. Puur goud is namelijk dusdanig zacht dat een tandafdruk zichtbaar zou kunnen zijn. Nou weten sporters ook dat olympische gouden medailles al sinds 1912 niet meer van puur goud zijn. Ze bestaan maar voor een paar procent uit goud, de rest is zilver en koper. Waren ze van puur goud, dan zouden ze rond de 20.000 euro waard zijn, nu ‘slechts’ 200 euro.

Nee, sporters bijten vooral in hun medailles omdat de fotografen dat nu eenmaal vragen. „Het is een trucje,” zegt Van Grunsven. „Alsof we moesten kijken of hij niet toch van chocolade was.” Volgens persfotograaf Bas Czerwinski is het een „gimmick” geworden onder fotografen om sporters in hun medaille te laten bijten. „Het is te vergelijken met het tennis, waar ze de beker kussen.”

Hij heeft het zelf nooit naar een sporter geroepen – „daar ben ik dan te bescheiden voor” – maar er is altijd wel iemand die het doet. „Er wordt altijd een beetje lacherig gedaan, en er staat altijd wel iemand tussen de twintig fotografen die het dan schreeuwt.”

Waar het ooit is begonnen, weet ook Czerwinski niet, maar het is vanuit de fotografen gezien logisch te verklaren. „Zo’n medaille zit aan een lang koord. Als je sporter en medaille samen op de foto wilt, moet die hem bij zijn gezicht houden. Dus dan wordt het al snel óf naar de mond óf naast het gezicht.”