‘Ik ben ik, en anders nie’

Omer Gielliet

(91) is beeldhouwer en pastoor. De Zeeuwse folktroubadour Broeder Dieleman (40) schreef een nummer over hem. Hij was alleen nog nooit bij hem op bezoek geweest. Tot nu. ‘Jezus die ons komt verlossen? Laat me niet lachen!’

foto Karoly Effenberger

Achter zijn rollator schuifelt Omer Gielliet (91) over het erf van zijn oude pastorie, achter de St. Barbarakerk in Breskens. Hij sjokt richting een immense scheepstakel. Daar staat een dikke boomstronk van ruim twee meter hoog. De oude pastoor trekt een leren schort aan en laat zijn vingers liefdevol over het hout glijden. „Het is een es”, zegt hij. „Ik heb eigenlijk liever eiken, wan das sterker eee.”

Dan klinkt er geknetter en regent het zaagsel: Gielliet heeft zijn rollator verruild voor een kettingzaag. Daarmee gaat hij meedogenloos het hout te lijf, om het vervolgens uit te kappen met een beitel.

Tonnie Dieleman (40) kijkt vol bewondering toe. Een geestelijke met felblauwe ogen en grijze wapperende manen die met een kettingzaag staat te zwaaien, dat heeft hij nog nooit gezien. En tóch kent hij het tafereel. Hij zingt er namelijk over. In zijn hoedanigheid als broeder Dieleman maakt de muzikant ingetogen doe-het-zelffolk waarin hij de streek tot leven weet te toveren. Enkel gewapend met banjo en Zeeuws-Vlaams accent bezingt hij het polderland en al zijn bewoners, van kauwtjes tot kiekendieven en van dominees tot doodgravers. Ook het Opperwezen is nooit ver weg: Dieleman groeide op in een streng gereformeerd gezin, maar heeft dat geloof inmiddels vaarwel gezegd.

Op zijn laatste en derde plaat, Uut de bron, staat het nummer ‘Omer’. Daarin bezingt hij het levensverhaal van de pastoor die behalve met zijn beelden opzien baarde door te rebelleren tegen de Katholieke Kerk en tientallen daklozen en uitgeprocedeerde asielzoekers in zijn huis opving.

„Hij is een mythische figuur”, zegt Dieleman. Alleen: het kwam nooit tot een echte ontmoeting. Hoog tijd dus om af te reizen naar de bron van Uut de bron. „Hij is heel belangrijk voor mij”, herhaalt Dieleman regelmatig tijdens de heenreis, op de veerpont Vlissingen-Breskens. „Ik ben echt zenuwachtig.”

Zodra ze samen voor het beeld in wording staan en de kettingzaag zwijgt, is het ijs gebroken. Gielliet laat het stuk stam zien dat al af is: Adam en Eva onder een stralende zon. „Het licht wordt geschapen op de vierde dag”, zegt de pastoor. „Merkwaardig, want op de derde dag zijn de bomen er al. Daarvoor is er enkel een oerzee en de pikzwarte duisternis. Alles komt dus voort uit de donkere nacht, maar dat moet jij weten, als troubadour…”

Dieleman, volkomen verbluft: „Ik heb net een liedje geschreven dat ‘Het grote donkere water van de nacht’ heet. Heb je dat soms al gehoord?”

Gielliet: „Nee hoor. Mooi toch?”

Dieleman: „Da’s echt ongelofelijk. Nie normaal.”

Gielliet: „Het is ook niet normaal dat ik op mijn 91ste nog een boom sta uit te zagen. Maar als ik straks klaar ben, begin ik gewoon opnieuw. Woest en ledig...”

De twee lopen naar binnen – Gielliet op sneakers, Dieleman op Birkenstocks. Terwijl de pastoor zijn gehoorapparaat afstelt, begint de muzikant te spelen.

Ik zag een afgewaaide tak en docht: da ben ik. En mee een mesje van mn moeder snee ik uut die tak een beeld van een mens mee zn ermen omhoog. Zo ist dad het begon. Eerst dronk ik uut de krane. Noe zo recht uut de bron.

Uit: ‘Omer’

„Een hoe liedje”, vindt Gielliet.

Dieleman: „Weet je wat het mooie is? Als ik dit liedje ergens speel, zijn er altijd mensen die verhalen over je vertellen. Klopt het dat je ooit op iemands sterfbed eerst nog zijn graan hebt geoogst?”

Gielliet: „Die man ging dood en ik moest hem bedienen. Ik zie dat boertje nog liggen. Zwetend als een paard riep hij: ‘Mijn oest moet er nog af.’ Ik heb mijn toga aan de kapstok gehangen en heb met zijn vrouw en kinderen alle tarwe binnengehaald. Mijn vader was boer, dus ik kon met paard en wagen rijden. Ik hield van het boerenleven, maar het was mijn weg niet. Mijn broer zei altijd: als jij boer wordt, worden alle mensen ongelukkig.”

Ik kreeg mn roeping in een koolzaadveld. Nie in een kerk maa midden in een koolzaadveld. Tussen de geuren en de blommen en de beestjes. Ik docht: daar oor ik bie. Zo ist dad het begon. Eerst dronk ik uut de krane. Noe zo recht uut de bron.

Uit: ‘Omer’

Gielliet: „Ik was een jaar of zes. Dan weet je niet hoe je zo’n ervaring moet noemen. Maar ik lag midden in dat veld. En het was zó prachtig, ik was helemaal weg. En dat kwam niet door de pastoor, maar door het koolzaad.”

Dieleman: „Het was een openbaring?”

Gielliet: „Eigenlijk wel. Maar tegelijkertijd is het niks bovennatuurlijks. Je krijgt een duwtje van binnen, maar moet zelf bepalen: doe je het één of het ander? Dat is geloven voor mij: kiezen en daar je hart in leggen. Uiteindelijk stond ik voor de keuze: trouwen, of niet trouwen? Als je gek op iemand bent, maar toch zegt: ik moet die andere weg opgaan, dan word je natuurlijk zot. Ik was er totaal van ondersteboven. Een van de priesters zei: ‘Ga maar naar huis… of naar de psychiatrie. Zeven maanden heb ik thuisgezeten. Na een storm liep ik over de dijk, toen ik dat outjie vond, die afgewaaide tak.”

Dieleman: „Was dat een tweede openbaring?”

Gielliet: „Ik dacht: zó voel ik me, als een afgewaaide tak. Total loss van God en mensen. Toen ik het begon uit te snijden veranderde die tak in een ventje met zijn armen omhoog. Eindelijk kon ik laten zien wat ik doormaakte. En gedomme, het sleepte me erdoorheen.”

Dieleman: „En het beeldhouwen is nooit meer opgehouden?”

Gielliet: „Ik kon er niet mee stoppen en ging ook steeds meer voor anderen maken. Ik had veel vrienden in de missie. ‘Je moet een nieuwe Jezus voor ons uitvinden’, zeiden die paters, ‘want de mensen hier hebben niets met katholieke beelden.’ Bij hen gold het recht van de sterkste: het was de ene stam tegen de andere. Een Jezus die nooit terugsloeg, deugde niet.

„Het was een totaal andere wereld.

„Voor de Papoea’s heb ik een omgekeerde Jezus uitgezaagd: hij zat op zijn kop in de boom met zijn hoofd en armen in de wortels, en hij droeg net als zij een peniskoker. En hodverdorie, het werkte. Er wilde er zelfs eentje priester worden. Op zo’n manier is de Kerk overal. Ze moeten er alleen geen leer van maken.”

Dieleman: „Streng in de leer, daar weet ik alles van.”

Gielliet: „Ja, gereformeerden zijn ook keihard, eee.”

Dieleman: „Toen ik met de Kerk brak, heeft de dominee tijdens de dienst mijn naam voorgelezen. Dat betekent eigenlijk dat je naar de hel gaat.”

Gielliet: „Dat is zo jammer, want je wordt geen mens om christen te worden. Het is precies andersom. Ik zeg niet dat de Kerk verkeerd is, maar al die fantasie... Dat God de vader zijn zoon stuurt om ons te verlossen van onze zonden: laat me niet lachen! Dat kan toch helemaal niet? Het is veel eenvoudiger: het is een onvoorstelbare geest of energie, in je hart.”

Dieleman: „Dat is ongeveer zoals ik het geloof nu ook zie. Maar zo over Jezus praten, dat is je vast niet in dank afgenomen.”

Gielliet: „Dat liep natuurlijk hoog op. Toen ik het bisdom uitlegde wat ik allemaal niet geloofde, vielen ze van hun stoel. Maar ja, ik ben ik, en anders nie. Daarom heb ik ook mijn salaris geweigerd. Ik zei: als jullie me betalen, ben ik jullie bezit en moet ik altijd luisteren. Jaren later hebben ze me bedankt omdat ik zo weinig kostte.”

Dieleman: „Hoe kwam je dan rond?”

Gielliet: „Dat was in het begin moeilijk, dan kwamen de buren weleens een pan soep brengen. Maar op den duur kon ik van mijn beelden leven én er mensen van laten leven.”

Kiek noe wat de zee aanspoelt op t land verspreid. Kiek noe wat de zee aanspoelt de eeuwigheid. Doe was ze e beloofd zo tis bedoeld.Uit: ‘Nehalennia’

„Goedemiddag pastoor!” Metin Yavuz (28) komt binnenlopen. Van de vele vluchtelingen die Gielliet sinds 1995 in zijn huis heeft ondergebracht, is hij de laatste die er nog woont.

Gielliet, trots: „Hij is leraar Nederlands op de middelbare school in Terneuzen, terwijl hij Koerd is. Een buutnlander die lesgeeft in Nederlands, da’s mooi eee.”

Dieleman: „Dat onderwerp is in Breskens weer helemaal actueel, hè?” Onlangs werd een plan om drie- tot vijfhonderd vluchtelingen buiten het dorp te huisvesten geschrapt, na felle protesten van bewoners.

Dieleman: „Daar kwam een hoop lelijkheid bij kijken.”

Gielliet: „Je moet van mensen houden, ook al gaat dat niet altijd even gemakkelijk. Ik heb er nooit problemen mee gehad. Het zat hier altijd stampvol. Als de vreemdelingenpolitie kwam, gaf ik ze koffie en zei: jullie zijn mijn vijand niet, maar dan moeten jullie je wel gedragen.”

Dieleman: „Hebben ze je nooit overvallen?”

Gielliet: „Ze lieten altijd ruim op tijd weten wanneer ze zouden komen, zodat ik de vluchtelingen elders kon onderbrengen. Inmiddels hebben ze allemaal een status en een eigen huis. En ik heb geen zorgen meer, want ze komen hier nog altijd koken en schoonmaken. Jij hebt altijd alles voor ons gezorgd, zeggen ze, nu is het onze beurt.”