De diepte van iets dat de waarheid kan zijn

marjoleinedevos0

Dat over kunst praten toch eigenlijk helemaal niet anders of belangrijker was dan over, om maar wat te noemen, zweefvliegen praten, zei degene met wie ik in gesprek was. „Jullie vinden het toevallig leuk om over kunst te praten”, zei ze, „maar dat maakt het nog niet belangrijk.” De zweefvlieger had met andere zweefvliegers ook van alles te bespreken. En niet alleen spraken ze erover: ze vlogen ook. En dat gaf ze veel vreugde.

Een ander gaat weer tuinieren of gamen of Roemeens leren. Ze kon niet inzien waarom het één belangwekkender zou zijn dan het andere.

Tja, als het gaat om aandacht en vervulling, dan zijn die dingen denkelijk ook nogal aan elkaar gelijk. En lang niet elk gesprek over kunst is erg verheffend of interessant. ‘Wij’, degenen die onszelf zo cultureel en kunstzinnig gevormd en bepaald achten, kunnen vaak behoorlijk oninteressant praten en elkaar met niets dan meningen om de oren slaan. Of we spreken uitvoerig over techniek („Je komt in dat boek nooit eens dichtbij een personage, het ratelt maar door, er zit geen enkele tempowisseling in”) en dat is niet heel anders dan twee timmerlieden of chirurgen die over een hoekverbinding spreken of over het zetten van een gecompliceerde breuk. Hoe doe je het. Als het je interesseert, kun je je in zo’n gesprek best even verliezen.

Maar daar gáát het niet over.

Oh nee?

Nee. Het gaat niet om dát je leest of naar tentoonstellingen gaat. Dat kan fijn zijn, maar inderdaad zoals zweefvliegen fijn is. Misschien is zweefvliegen nog wel leuker eigenlijk. Spannender.

Svetlana Aleksijevitsj laat in haar boek Het einde van de rode mens een voormalig derde partijsecretaris op een regiokantoor aan het woord, een vrouw van middelbare leeftijd. De partij is ingestort, het communisme is weg, haar vroegere leven is van waardevol veranderd in verdacht en zinloos. Ze vertelt dat ze op een dag een schilderij zag in een galerie. Er was een vrouw op te zien, op een brug. „Ze keek in de verte, naar helder licht. Ik kon bij dat schilderij haast niet wegkomen.”

Die zin trof me enorm. Die vrouw sprak niet over ‘kunst’, die vertelde over een beeld dat haar geraakt had als de uitdrukking, mogelijkerwijs, van haar eigen situatie. Ook voor haar zou er wellicht nieuw leven komen. Dat wilde ze. Ze wilde geloven in wat ze op en in dat schilderij zag en iets in haar geloofde het al. Iets in haar had het herkend, zonder te weten dat het bestond. Het nieuwe herkennen en het voelen als de uitdrukking van iets dat nog ongevormd maar diep van jezelf is – daar ligt het belang. Je leert jezelf kennen en je vormt je aan de beelden, de vormen, de werelden die je in de kunst worden aangeboden. Beelden die complex zijn en daardoor rijk aan betekenis.

En waarom is dat dan zo belangrijk? Omdat de mens zichzelf wil kennen en zich niet kent en niet begrijpt. En omdat een mens een houding wil vinden in het leven en tegenover dat wat hem of haar overkomt.

De derde partijsecretaris had al wel het een en ander meegemaakt. Ze had ook dingen gedáán, uit overtuiging, voor de toekomst. Ze was geen onbeschreven blad.

En misschien als ze hoog in de lucht in haar zweefvliegtuig, alleen was geweest met de weidsheid en de stilte rondom, had ze ook een ervaring gehad. Maar dat is dan bijna hetzelfde. De diepte van iets dat je als de waarheid voorkomt. Even.