Herinneringen aan een oude fiets

Oud-profs Tijdens hun carrière is het gereedschap. Daarna zijn de fietsen van profwielrenners herinneringen aan de hoogtepunten. Drie oud-profs vertellen over de fiets die ze hebben bewaard.

Foto's Lars van den Brink

Monique Knol (1964)

Winnaar van goud op de Olympische Spelen (1988) en brons in 1992. Wereldkampioen ploegentijdrit 1990. Nederlands kampioen in 1992.

Welke fietsen heeft u na uw carrière bewaard?
„Mijn man [en trainer Wim Kruis] heeft al mijn fietsen bewaard. Een paar staan nog op zolder, maar ik kijk er nooit naar. Ik heb veel slechte gevoelens aan het wielrennen overgehouden. Vooral omdat het in mijn laatste jaren door doping zo oneerlijk was geworden. Toen werd ik plotseling op grote afstand gereden door dames die eerst mijn wiel amper konden houden. Die nare herinneringen komen altijd boven als ik die oude spullen zie. Mijn dochter zegt soms tegen anderen dat ik Olympisch kampioen ben, ik zou daar uit mezelf nooit over beginnen.”

Wat was uw eerste fiets?
„Mijn eerste fiets was een Raleigh die veel te groot was. Ik moest mijn zadel op de laagste stand zetten om bij de trappers te kunnen. Toen heb ik mijn pon/p>y verkocht en van dat geld een blauwe Gazelle aangeschaft. Bij de eerste klassieker die ik reed, vloog die fiets over de hekken. Ik wist namelijk niets van het rijden in groepen en ben daarom hard op kop gaan fietsen. In de eindsprint werd ik niet alleen ingesloten, maar ook door iedereen voorbij gefietst. Ik vond het oneerlijk en was zo kwaad dat ik de fiets over het hek heb gesmeten.

„Bij een etappekoers in Frankrijk ging ik voor het eerst een col op. Tijdens die afdaling kreeg ik een klapband en vloog ik het ravijn in. De Gazelle bleef aan de rand van de weg liggen terwijl ik in het ravijn lag. Mijn ploegleider zag de fiets langs de weg liggen en kwam kijken waar ik was. Toen was ik net naar boven aan het klauteren. Achteraf vond ik het vooral zonde van de fiets, er zaten allemaal krassen op.

„Ik was trots op de fiets. Ik maakte hem schoon in de huiskamer met wat kranten eronder. Mijn moeder vond dat maar niks. Later heb ik die Gazelle als trainingsfiets gebruikt, met een vast verzet om mijn cadans te trainen.

„Toen ik aan de Olympische Spelen van 1992 meedeed, moest ik van de bond op een Batavus rijden. Die kreeg ik pas twee weken voor de wedstrijd. Ik was het schakelsysteem van Shimano gewend en hier zat Campagnolo op, dat werkte heel anders. Daardoor heb ik in de wedstrijd nog vaak verkeerd geschakeld, maar ik heb nooit gedacht dat ik door een fiets langzamer ging. Geef mij een fiets en ik ga.”
Waar fietst u nu op?
„Ik ben nu alleen nog maar met paardrijden bezig. Fietsen doe ik niet meer. Ja, ik fiets met mijn dochter naar school. Die klaagt dat ik te hard fiets. Het is zo’n tien kilometer heen en tien terug, dat doe ik op een mountainbike, en dan fiets ik altijd zo hard mogelijk terug.”

0608CUL_steven_LUX_7k

Steven Rooks (1960)

Winnaar van Luik – Bastenaken – Luik (1983) en de Amstel Gold Race (1986). Tweede in de Tour de France van 1988 en twee etappezeges in de Tour (1988 en 1989).

Welke fietsen heeft u na uw carrière bewaard?
„Ik heb lange tijd alles bewaard: fietsen, velgen, tubes. Ik had een baanfiets, een crossfiets en een wegfiets. Toen ik verhuisde van een huis met een schuur en een zolder naar een appartement, heb ik alles verkocht. Alleen de shirts, de bekers, de krantenknipsels en het beeldmateriaal heb ik bewaard. En het frame uit mijn laatste profjaar bij de TVM-ploeg, een aluminium Gazelle uit 1995.

„Vroeger kreeg je van de ploeg een fiets en die moest je aan het eind van het seizoen inleveren. Of je kon de fiets overnemen voor een gereduceerde prijs. Dat deed ik meestal en dan had ik er een koper voor die hem graag van mij wilde overnemen.

„Destijds heb ik er niet lang over nagedacht, je weet op dat moment niet wat je beste seizoen is. Nu heb ik meer gevoel bij het materiaal. Als ik zie dat Joop Zoetemelk een klein kamertje heeft met zijn oude fietsen, dan denk ik: dat zou ik ook wel willen.”
Wat was uw eerste fiets?
„Ik begon laat met fietsen en ben toen gelijk op zoek gegaan naar het beste materiaal. Mijn eerste fiets was een Koga Miyata. Toen het goed ging, heb ik een frame van Raleigh gekocht en die zelf opgebouwd. Goed materiaal hebben kan een stevige motivatie zijn. Zo heb ik ooit voor een tijdrit naar een dicht achterwiel gezocht toen de ploeg die niet voor me had. Dat maakte uit voor mij, ook al zat dat misschien tussen mijn oren.”
Waar fietst u nu op?
„Een Canyon die als een Ferrari voelt in vergelijking met de fietsen waar ik toen mee reed. Uiteindelijk is de laatste fiets altijd de beste. Ze worden elk jaar beter.”

0608CUL_jan_LUX_7k

Jan Janssen (1940)

Winnaar van de Tour de France (1968), de Vuelta (1967), het Wereldkampioenschap (1964) en Parijs – Roubaix (1967)


Welke fietsen heeft u na uw carrière bewaard?
„De Lejeune tijdritfiets waarmee ik de beslissende tijdrit in de Tour van 1968 won [en daarmee ook met 38 seconden voorsprong op nummer twee, Herman van Springel, het eindklassement won].

„Bij mijn ploeg Pelforth Sauvage LeJeune werd niets weggegeven. Na elk seizoen moesten we onze fietsen inleveren. Toen ik in 1968 de Tour won, zei ik: die fiets houd ik!

Het is een geweldige fiets. We hebben hem voor die tijdrit zo licht mogelijk gemaakt. Ik had 28-spaaks wielen met zijden tubes, 190 gram, zo dun als condooms. Het Reynolds 753-frame was extreem licht en de trap-as hadden we voor de gelegenheid niet met vet gesmeerd maar met olie. Die fiets was 7,8 kilo, ik was ervan overtuigd dat ik die tijdrit ging winnen. Mijn tegenstander Herman van Springel reed op een normale racefiets. Achteraf baalde hij dat hij niet op een tijdritfiets had gereden. Ik ben blij dat ik deze heb bewaard, ik heb te veel weggegeven, zoals shirtjes en brillen. Destijds wilde ik anderen een plezier doen, nu heb ik daar spijt van.”
Wat was uw eerste fiets?
„Een Joco. Die kocht ik voor 110 gulden. Op mijn kamer kon ik er uren naar kijken. En hem poetsen, smeren en afstellen. Ik fietste voor de club Rotterdamse Leeuw toen Bertus Bitter mij vroeg of ik voor hem wilde fietsen. Hij had een fietsenwinkel in Rotterdam: Verbi Sport. Ik kreeg van hem een fiets en in ruil daarvoor fietste ik in een trui met het logo van Verbi Sport. Ik was zo trots.”
Waar fietst u nu op?
„Na mijn carrière begon ik mijn eigen fietsenmerk. Ik wilde dat de fietsen herkenbaar waren, zelfs als mijn naam er niet op stond. Destijds waren fietsen vaak een ratjetoe van onderdelen. Die van mij moesten netjes zijn, de kabels even lang en het stuurlint goed erop. Ik werd ‘De Chinees’ genoemd omdat ik alle fietsbeurzen afging met een fototoestel om mijn nek. Ik fotografeerde alle nieuwe snufjes. Details vond ik belangrijk, renners in het peloton met ratelende derailleurs kon ik niet tegen. Mijn zoons hebben het bedrijf overgenomen. Ik rijd nu op een Jan Janssen die elektronisch schakelt, heerlijk is dat.”