Waarom Turken wél denken dat Gülen achter de coup zat

Turkije De Turken die menen dat de gülenbeweging achter de mislukte coup van 15 juli zat hebben daarvoor verschillende redenen. Een opsomming.

Erdogan-aanhangers zwaaien met de Turkse vlag in Keulen. Foto Thilo Schmuelgen/Reuters

Veel Turken weten het zeker: de beweging van de islamitische geestelijke Fethullah Gülen zit achter de mislukte coup van 15 juli. Niet alleen de regerende AK-partij van president Erdogan, ook de volledige oppositie, de seculiere media en veel tegenstanders van Erdogan zijn daarvan overtuigd.

Maar in het Westen overheerst scepsis. Westerse media en politici willen eerst hard bewijs zien. Ze maken zich meer zorgen over de omvangrijke zuivering van de Turkse staatsinstellingen na de coup, dan over de dreiging die zou kunnen uitgaan van een zogenaamde ‘parallelle staat’ in Turkije. Toch zijn er vanuit Turks perspectief wel degelijk redenen om te denken dat aanhangers van Gülen een (grote) rol speelden bij de coup.

1. Turken geloven in complotten

Dat komt doordat ze al heel lang op een niet-transparante manier worden bestuurd, waarbij ‘aan het hof’ allerlei machtspelletjes worden gespeeld waarnaar ze alleen kunnen gissen. Al sinds het Ottomaanse rijk is er een voortdurende machtsstrijd tussen de geestelijkheid, bureaucratie en de legertop, die leidde tot een groot aantal coups.

Bij de stichting van de seculiere Republiek Turkije in 1923, probeerde Mustafa Kemal Atatürk een einde te maken aan de politieke macht van de geestelijken. Het leger kreeg veel macht om de seculiere orde te bewaken. Sinds de jaren zestig pleegden militairen vrijwel ieder decennium een staatsgreep. En dan is er nog een berucht ultranationalistisch netwerk dat bekend staat als de ‘diepe staat’ en dat veel macht wordt toegedicht.

2. Er zijn machtige religieuze ordes

Broederschappen en religieuze ordes oefenen al eeuwenlang veel invloed uit in Turkije. De gülenbeweging is onderdeel van de Naqshbandi-Khalidi-broederschap. Die heeft de politieke islam in Turkije, inclusief de regerende AK-partij, voor een belangrijk deel gevormd.

Foto Kayhan Ozer/AFP

Foto Kayhan Ozer/AFP

Vlak na de stichting van de republiek brak er een opstand uit onder leiding van een Naqshbandi-sjeik. Daarop besloot de regering alle broederschappen, ordes en kloosters te verbieden. De Naqshbandi gingen ondergronds en zochten naar andere manieren om invloed te verwerven.

De invloedrijke geestelijke Mehmet Zahid Kotku spoorde zijn aanhang vanaf de jaren vijftig aan hoge posities te verwerven binnen de bureaucratie. Hij geloofde dat moslims „zouden moeten proberen de hogere regionen van sociale en politieke instituties in te nemen en controle te vestigen over de samenleving”.

3. De machtsstrijd is al jaren bezig

Aanvankelijk versterkten de AK-partij en de gülenbeweging elkaar. De AK-partij domineerde het parlement, en de gulenbeweging leverde vrome, goed opgeleide ambtenaren, rechters en aanklagers. Ze trokken vanaf 2007 samen op om de macht van het leger te breken. Dat gebeurde met een serie showprocessen, waarbij honderden hoge officieren de gevangenis ingingen. Ze werden verdacht van het beramen van een coup. Veel bewijsmateriaal bleek later gefabriceerd.

Daarna ontstond er een machtsstrijd tussen de AKP en de gülenbeweging. De breuk werd zichtbaar in februari 2012, toen werd de baas van de militaire inlichtingendienst aangeklaagd omdat hij namens de regering geheime contacten had met PKK-leider Abdullah Öcalan. De gülenbeweging zag dit als landverraad.

In 2013 werd het openlijk ‘oorlog’. De regering besloot huiswerkinstituten, een grote inkomstenbron van de gülenbeweging, te sluiten. Gülen riep zijn aanhang op zich te verzetten tegen ‘de farao’. Niet lang daarna werden drie zoons van AKP-ministers en enkele zakenlieden opgepakt op verdenking van corruptie. Dit werd alom gezien als het werk van gülenisten binnen justitie. Vanaf dat moment was het gevaarlijk om ‘gülenist’ te zijn in Turkije. Duizenden vermeende leden van de beweging binnen politie en justitie werden ontslagen of overgeplaatst.

Lees ook deze longread over Erdogan, de eeuwige straatvechter

4. Ook het leger is geïnfiltreerd

Aanhangers van Gülen hebben sinds de jaren negentig geprobeerd om het leger te infiltreren door jonge discipelen aan te sporen de officiersopleiding te volgen. De legertop was echter op zijn hoede en ontsloeg iedere officier die verdacht werd van banden met de beweging. Toen Erdogan aan de macht kwam, kregen de gülenisten meer ruimte en wisten ze wel hoge posities binnen het leger te bemachtigen. Maar de inlichtingendienst kraakte een app die door de gülenisten werd gebruikt en achterhaalde zo de identiteit van duizenden aanhangers. Het gevolg was dat veel aan Gülen gelieerde officieren in augustus zouden worden ontslagen. Dit wordt in de Turkse media aangevoerd als motief voor de mislukte coup.

Overigens staan enkele hoge militairen die worden verdacht van betrokkenheid bij de coup bekend als fervente Kemalisten. Die zouden uit haat jegens Erdogan de coup hebben gesteund. Analisten spreken daarom van een ‘cocktail coup’.

5. Enig concreet bewijs

Hard bewijs voor de persoonlijke betrokkenheid van Gülen is er tot nu toe niet. Wel een aantal bekentenissen en getuigenverklaringen. Zo verklaarde legerleider generaal Hulusi Akar dat hij, terwijl hij werd gegijzeld door de coupplegers, door generaal Hakan Evrim een telefoongesprek met Gülen kreeg aangeboden. Mogelijk om hem over te halen met de coup mee te doen. Hij sloeg het af.

De medewerker van Akar, luitenant kolonel Levent Turkkan, bekende dat hij bij de gülenbeweging hoort en daar orders van aannam, om geheime opnames te maken en informatie door te spelen.

Het probleem met de bekentenissen en getuigenissen is dat er aanwijzingen zijn dat mensen na de couppoging zijn gemarteld. Amnesty heeft er een rapport over geschreven. De Turkse regering heeft daar razend op gereageerd en ontkent martelingen. Door marteling verkregen verklaringen zijn niet geldig als bewijs.