Tegen Gülen in Nederland ageren is nog veel te vroeg

nrcvindt

Moeten we bezorgd zijn over de Gülenbeweging in Nederland, nu die in Turkije wordt gezien als drijvende kracht achter de coup tegen Erdogan? Het is een ongemakkelijke vraag, die niet zomaar met ja of nee kan worden beantwoord. Feit is dat de polarisatie onder Turkse Nederlanders toeneemt en brandstichting en openlijk geweld met zich meebrengt. Er wordt gedemonstreerd, geboycot en via sociale media geageerd tegen Gülen-aanhangers.

De Turkse ambassadeur in Nederland, Sadik Arslan, waarschuwde in NRC het kabinet openlijk voor Gülen als „een bedreiging voor ieder land waar ze opereren”. Scholen op Gülen-grondslag zouden niet door het Rijk moeten worden gefinancierd, preciseerde hij. En samenwerking met de Turkse ondernemersorganisatie HOGIAF raadde hij af – die zou juist geboycot moeten worden. Zijn adviezen vielen politiek niet in goede aarde. Ongepast was nog wel het minste wat hem uit de Kamer werd toegevoegd, waar bij sommigen openlijk wantrouwen heerst tegen wat als ‘de lange arm van Erdogan’ wordt ervaren.

Zo waait het conflict over naar Nederland, waar 500.000 mensen met een Turkse achtergrond wonen. Dat maakt Gülen ook tot een Nederlands binnenlandse kwestie; de polarisatie laat zien welke breuklijnen er binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap lopen, en welke tussen Turkse en andere Nederlanders.

De Gülen-kwestie lijkt zo een stresstest van de integratie. Met als inzet: hoe staat het met de democratische gezindheid onder Turkse Nederlanders? En, leeft de Nederlandse maatstaf voor tolerantie voor politieke en religieuze minderheden wel ‘voldoende’ onder hen? Of is dat te veel gevraagd? Moet de Nederlandse maatstaf juist even opzijgelegd worden? De staatsgreep was immers een enorme schok voor de Turkse samenleving. Het land kent bovendien geen stabiele democratische voorgeschiedenis, waar Nederland wel op kan bogen. De politieke verhoudingen in Turkije zijn er evenmin geconsolideerd. Turkije is feitelijk een democratie in ontwikkeling, waar de trias politica nog niet is ingebakken. De coup was dan ook een klap voor het Turkse zelfvertrouwen als Europees land. Dergelijke verschillen met Nederland en andere Europese landen moeten meegewogen worden en gerespecteerd. Als een democratisch gekozen bevriend staatshoofd als Erdogan met overtuiging maar nog zonder bewijs de Gülenbeweging als dader aanwijst, dan moet dat politiek zwaar wegen. Al was het maar omdat niet óns Binnenhof is gebombardeerd noch onze protesterende burgers door militairen zijn doodgeschoten.

Uiteraard mag het van Turkse zijde niet bij verdacht maken blijven; het toegezegde bewijs moet echt worden getoond. Totdat dit het geval is, kan Gülen in een rechtsstaat intussen niet anders worden bejegend dan als iedere andere maatschappelijke beweging. De licht paranoïde term „parallelle structuur” die Ankara hanteert maakt hier weinig indruk – ooit heette dat bij ons verzuiling. Maar dat was dan ook een product van de pacificatie, een gewapende vrede tussen minderheden, die de tegenstellingen bij ons decennia bevroor.

De Gülenbeweging zelf ligt nu onder een vergrootglas. Uit eerder onderzoek kwam Gülen naar voren als een ondoorzichtige club, à la de vrijmetselaars of jezuïeten maar dan in de vroom-conservatieve islam. Geen bedreiging van de democratische rechtsorde. Als Turkije geen harde informatie levert die noopt er anders over te denken, mag Gülen geen strobreed in de weg worden gelegd.