Maar hoe zit het eigenlijk met voetbal in NRC zelf?

©

Gonny van Oudenallen, oud-Tweede-Kamerlid voor de Lijst Pim Fortuyn, vond het een mooi verhaal over sportjournalistiek. Maar, mailde de ex-politica, thans actief voor Studio Dreams Come True, kon de krant nu meteen ook de politieke journalisten onderzoeken?

Ze reageerde op De tien plagen van de voetbaljournalistiek, een grote productie, dinsdag, over toenemende druk op voetbalverslaggevers: ze worden gemarginaliseerd door clubs, gepasseerd door sociale media, en gemangeld door commerciële belangen. De krant zette het dan ook zwaar aan op het katern Media, met de kop Het einde van onafhankelijke voetbaljournalistiek.

Maar ik kreeg er van lezers ook meteen vragen over. Want hoe zit het eigenlijk met de sportredactie van NRC Handelsblad zelf?

Chef Media Stijn Bronzwaer worstelde met een bekend dilemma: de auteur, mediaredacteur Jan Benjamin, sprak wel met sportcollega’s, maar hoe objectief kun je over je eigen krant schrijven? Bovendien, je wilt ook niet het verwijt krijgen van borstklopperij, zo van: de rest is fout, maar wij doen het goed.

Er is ook een inhoudelijk argument voor te geven: in de wereld van voetbalmedia is NRC Handelsblad een kleine, zo niet marginale speler. Conflicten over trainers en transfers worden door belanghebbende partijen in de regel niet aan Rokin 65 uitgevochten.

Toch ben ik het met de lezers eens dat NRC niet buiten het verhaal had mogen blijven. Als de krant transparant wil zijn, kan bij zo’n ‘beschuldigend’ stuk over andere media een blik naar binnen niet ontbreken. Journalisten moeten ook over hun eigen bedrijf kritisch kunnen schrijven.

Maar hoe zit het nu met de bal en NRC-verslaggeving?

Sportredacteuren die ik sprak (inclusief een voormalige en de huidige chef) herkennen de tien „plagen” wel. Maar om wat voor journalistiek gaat het dan? Zij wijzen erop dat de meeste voor NRC minder gelden dan voor populaire media die veel dichter op de clubwereld zitten – en voor nieuwtjes en quotes afhankelijker zijn van toegang. Voor meer ‘beschouwelijke’ voetbaljournalistiek in NRC Handelsblad of de Volkskrant, telt dat veel minder zwaar.

Trouwens, zoals voetbalkenner Auke Kok woensdag in een reactie op het artikel schreef, waarom zou je ook zulke nieuwtjes en quotes willen? Oud-NRC-sportverslaggever Guus van Holland stond bijvoorbeeld bekend om zijn citaatloze reportages, hoezeer sporters ook hun best deden om hem te laten weten wat er door hen heen ging. Hij vertrouwde liever op zijn eigen ogen en denkwerk.

Wel herkenbaar: de werkdruk. De tijd dat een verslaggever na de wedstrijd eerst kon nadenken en dan tikken, is in de digitale werkelijkheid voorbij. Van een NRC-redacteur wordt nu soms luttele minuten na het fluitsignaal een stuk verwacht voor nrc.nl, een groter voor nrc.next, en later een versie voor NRC Handelsblad. Tussendoor ook twitteren graag, en je stuk pushen op Facebook.

Sportverslaggeving staat zo aan het front van de nieuwe productieverhoudingen in de journalistiek, waarin arbeidsdeling stapsgewijs is verdwenen. Journalisten, tegenwoordig top-down aangestuurd, zijn inmiddels tegelijk verslaggever, onderzoeker, analist, eindredacteur, vormgever én hun eigen impresario op sociale media. Een ontwikkeling die in een kritische theorie is aangeduid als ‘herproletarisering’.

Geldt de diagnose der tien plagen nu ook voor, bijvoorbeeld, politieke journalistiek?

In elk geval is ook in die sector de behoefte aan regie en controle op de eigen boodschap hand over hand toegenomen. Mark Rutte heeft een YouTube-kanaal, de mannen van Denk maken hun eigen filmpjes, twitter- en sms-kampioen Geert Wilders is bij uitstek een politicus die wil zenden, maar zo min mogelijk ontvangen. Tom-Jan Meeus bepleitte daarom al veel minder interviews met politici en meer verslaggeving; vergelijkbaar met het afscheid van nietszeggende emoticonquotes in de sportjournalistiek.

Er is ook een groot verschil: de financiële belangen in de sport maken die eerder vergelijkbaar met het zakenleven of de filmindustrie dan met de politiek, die berust op publieke verantwoording. De valkuilen zijn wel vergelijkbaar: het spel te serieus nemen, en de knikkers vergeten.

Laatste punt, maar eigenlijk het eerste: je kunt niet het ‘einde’ van onafhankelijke sportjournalistiek uitroepen zonder uit te leggen wat ‘onafhankelijkheid’ dan precies inhoudt. Economisch zijn journalisten afhankelijk van hun bedrijf; commercieel van abonnees en adverteerders; ideologisch van de koers van hun medium.

Waar het om gaat, is of ze binnen die context kwaliteit kunnen leveren, en hun neus kunnen volgen. De Tegel die TC Tubantia dit jaar won voor speurwerk naar FC Twente, is een herinnering hoe het nog steeds kan – en moet.

Die vrijheid staat onder druk, maar toch eerder door structuurveranderingen in de media zelf dan door de behoefte van trainers om interviews te ‘fiatteren’.

Dáár hoef je je als onafhankelijke sportjournalist namelijk niets van aan te trekken.

Reacties: ombudsman@nrc.nl