Hinde

©

Dat de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Rio frivool, exotisch en erotisch zou worden, was vanzelfsprekend in een land van samba en carnaval. Hoe internationaal dit grootste sportevenement ter wereld ook moge zijn, de cultuur van het gastland kleurt het plechtige moment. In Brazilië betekent dat mooie waanzin en artistieke improvisatie. Iedereen roept wel dat de Spelen van Rio onder een ongunstig gesternte zijn gestart, maar dat is Europese logica. In Zuid-Amerika hoort imperfectie bij het leven. De schoonheid van het onaffe en onvoorzienbare woelt creativiteit en slimmigheid los. Bij de eerste olympische medaille is het gezeur over stotterende waterkranen en scheve klinkers voorbij. Dan weerklinken alleen nog heldengezangen.

De kritiek op de krakkemikkige huisvesting in het olympisch dorp en op de vervoersproblemen hoorde je eerder op zowat alle Spelen. Ook daar was veel onafgewerkt. Ik weet nog dat ik met bokser Regilio Tuur naar een vijfsterrenhotel in Seoul reed. De Nederlandse olympiër hield graag de schijn van een intellectueel op. Bij elk onafgewerkt gebouw dat we passeerden, foeterde hij verontwaardigd: miscalculation, miscalculation. Toen uiteindelijk bleek dat de lobby van het luxehotel ook vol marmeren brokstukken lag, zei Regilio plechtig: „Hier kom ik niet meer terug.” Thuis woonde hij toen nog in een veredelde dakgoot, maar dat deed er even niet toe.

Topsporters en hun aanhang kunnen niet zonder klagen. Misbaar hoort bij de voorbereiding, bij de concentratie. Het is ook een vorm van indekking voor tegenvallende prestaties. Er ging in Rio aanvankelijk heel veel fout met constructies en infrastructuur, met vervuild water en afvoerongemakken, maar een tweede Aleppo is het niet geworden. En schort er in Nederland dan nooit iets aan nieuwbouw?

De Spelen worden in contrast gezet met een maatschappelijk deficit. Zoals in Athene en in Beijing werden ook in Rio mensen uit hun huizen gejaagd en werd de stadsbegroting leeggeroofd. De armen in de favela’s worden geen kruimel rijker van dit wereldtoneel. Dat is bitter, maar de favela’s waren er ook al vóór het olympisch investeringsprogramma van Rio de Janeiro. Zwetend tussen de bekken van criminaliteit en corruptie.

Overal waar Olympische Spelen worden georganiseerd, ontstaat een financiële krater. Daar is Rio niet uniek in. De carioca’s zullen wel budgettaire fantasten zijn in een land en stad zonder solide politiek gezag, maar de economisch-financiële vrije val is niet primair aan het IOC toe te schrijven. Eerder aan slonzig bestuur van de Braziliaanse overheid.

Gastvrijheid is in wezen het toebrengen van leed. Of dat nu in familiale kring is of op het niveau van een wereldstad. Ja, er zijn onnoemelijk veel mensen die lijden aan deze Olympische Spelen. Maar Rio 2016 brengt ook verademing en een vleugje vreugde in de wereld. Is het in een tijd van terreur en geweld niet sprookjesachtig een hinde als Dafne Schippers te zien lopen in een feestelijk stadion? Onder het gejuich van een mensenzee? Dat het nog kan is al een drinkgelag waard.

Zoals deze krant eerder terecht signaleerde: dit zijn de Spelen van de vrouwen. Daarom was het pikant dat ruiter Jeroen Dubbeldam de Nederlandse vlag mocht dragen. Er is weinig vrouwelijk aan Jeroen. Afgetrainde kleerkast. Dat hij de Nederlandse olympische ploeg het Maracanãstadion mocht binnenleiden, was de eigenzinnige keuze van chef de mission Maurits Hendriks. Geboren eigenheimer. Wel een terechte keuze. Olympisch kampioen in Sydney, Dubbeldam, is een machtige atleet. Hij zei zich een bevoorrecht mens te voelen met zijn prestigieuze rol op de openingsceremonie. Paardenvolk met een brok in de keel – onverwacht en ontroerend mooi.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.