Gebouwd om te triomferen

Sport

Deelnemers aan de Olympische Spelen worden eindeloos gemonitord en geperfectioneerd. Hoe menselijk is dat nog?

Illustratie Pepijn Barnard

Kijk ze stralen, kijk ze trots, stoer, glanzend en gezond zijn. Zo zien ze er nou uit, de jagers op olympische medailles. Als het toonbeeld van de perfecte mens. Gebouwd om te triomferen. Atletisch, gespierd, spontaan en vrolijk. Zoals we allemaal willen zijn. Het zijn de rolmodellen die aan ons voorbijtrekken, mensen die er klaar voor zijn door ons heilig verklaard te worden.

Jarenlang hebben zij zich ten doel gesteld eens aan de Olympische Spelen mee te doen – liefst daar een medaille te winnen. Doorgaans afgeschermd van de gewone samenleving met al haar verstorende prikkels, hebben zij hun blik op de top van de Olympus gericht. Als zij hun aanleg voor sport niet zelf hadden herkend, dan waren het wel hun ouders, sportdocenten of talentenjagers geweest die hen de weg naar goud en glorie wezen.

De jonge mensen die nu in Rio de Janeiro hun vervolmaakte talenten willen tonen, verdienen het geprezen te worden voor de voorbereidende arbeid die zij dag in dag uit met grote overgave hebben verricht. Niet zoals een halve eeuw of langer geleden alleen op eigen kracht, met spartaanse trainingen en gesterkt door een topsportdieet van levertraan en bruine bonen, maar begeleid door een team van fysiologen, psychologen, neurowetenschappers, voedingsdeskundigen, leefstijlcoaches en andere zichzelf als deskundig kwalificerende mensen.

Ter meerdere glorie van de staat

In Nederland worden de olympiërs bijgestaan door het zogenoemde Sports Science & Innovation, dat ‘bruggen bouwt’ tussen wetenschap en sport. De organisatie is gevestigd op Papendal, het zenuwcentrum van de Nederlandse topsportbeweging. Wie daar een kijkje gaat nemen, wordt geconfronteerd met jonge mensen die het hoogste willen bereiken in hun fysieke mogelijkheden. Ze zijn (draadloos) verbonden met computers die elke inspanning meten en ze worden na elke beweging geanalyseerd op wat zich in hun lijf en geest openbaart. Waar kan het sneller, waar hoger, waar niet, waar is de grens van lichamelijke én mentale mogelijkheden bereikt? Is er een grens?

Met enig cynisme wordt Papendal wel een medaillefabriek genoemd. Het centrum doet me ook denken aan de ‘medaillefabriek’ in de voormalige DDR, Kienbaum, die ik begin jaren negentig bezocht. Streng geselecteerde sportmensen werden hier op commando van overheidsinstanties klaargestoomd voor de jacht op titels en medailles. Niemand in de omgeving van het gehucht Kienbaum wist in de jaren zeventig en tachtig wat daar gebeurde. Het was niet meer dan een fabriek aan een meer. Later bleek dat er sporthallen stonden en een overdekte atletiekbaan. Dat er regelmatig wekenlang honderden mensen geïsoleerd hebben gebivakkeerd. Onder een met gras begroeide heuvel was een bunker vol hometrainers en roeimachines, verbonden met meetapparatuur. Er werden hoogtestages gesimuleerd, tot 4.000 meter. Hoogtestages niet langer in Bulgarije, maar op eigen territorium, ver van ‘pottenkijkers’, met de staatslaboratoria en onderzoeksinstituten om de hoek. Sport ter meerdere eer en glorie van de staat, geen middel werd geschuwd om sporttalenten over hun grenzen te tillen.

Papendal is in vergelijking met Kienbaum (en andere centra in de voormalige Sovjetstaten en mogelijk de Verenigde Staten en China) transparant en toegankelijk. Maar met enige huiver mag ook de topsportontwikkeling in Nederland best worden bekeken. Waar ligt de grens? Waar houden de menselijke mogelijkheden op, waar begint de ontmenselijking? Wat is de zin van medailles halen? Waarom zoveel mogelijk medailles? Waarom wil het overkoepelend olympisch orgaan (gevoed door de overheid en sponsoren) dat Nederland tot de top-tien van de wereld behoort? Gaan we dan allemaal de straat op, claxonnerend in onze auto’s, vlaggend en zingend dat we zo goed zijn als Nederlandse staat?

In de Tour de France zagen we renners en vooral winnaar Chris Froome voortdurend op het metertje op hun stuur kijken. Er werd gedemarreerd, maar Froome reageerde niet meteen. Hij zag waarschijnlijk dat hij aan zijn bereik (wattage) zat, dan wel werd hij via zijn ‘oortjes’ van afstand gesommeerd geen trap te veel te doen. Verder reikten zijn fysieke mogelijkheden niet, zoals in eerdere testen in laboratoria al was vastgesteld.

Ze gaan de leegte vullen in onszelf

Peter Blangé, winnaar van olympisch goud in 1996 met het volleybalteam, oud-bondscoach en nu medewerker van Team NL Innovation Center waar hij zich bezighoudt met topsportmonitoring en innovatie, zei in Trouw: „Over twintig jaar kijken wij op deze tijd terug als het stenen tijdperk. We gaan een tijd meemaken dat iedere atleet een plakkertje op krijgt en dat we alles weten. Denk aan nanotechnologie en wat daar allemaal mee kan.”

Kijken we straks nog wel naar mensen, of naar kundig geprogrammeerde robots? En als de prestaties toch al met alle mogelijke middelen worden opgerekt (technologie, materiaal, psychologie, geld), waarom dan niet ook met een pilletje of injectie – nu taboe volgens alle reglementen en ervaren als onsportief?

De topsporters, de supermensen, wacht een beloning voor het jarenlang afzien: erkenning, waardering, applaus. Wij toeschouwers zijn er graag deelgenoot van. Dafne Schippers, Tom Dumoulin, Epke Zonderland, de hockeyers, de zwemmers, de handballers, zeilers, surfers, judoka’s, wielrenners, boksers en andere deelnemers gaan de leegte in onszelf vullen. Ze gaan de hunkering voeden naar blijdschap, identificatie en afleiding van dagelijkse sleur en problemen.

Tot ze falen. Hoe goed ook voorbereid, hoe wetenschappelijk ook begeleid, hoe talentvol, topsporters blijven mensen, met kwaliteiten en gebreken, die gisteren een goede dag hadden en vandaag een slechte. Stress is een onberekenbare factor, nauwelijks door een fysioloog of psycholoog uit te bannen. Stress slaat toe op onverwachte momenten. Voorkomen is ijdele hoop. Dat houdt de topsport toch nog menselijk – vooralsnog.

Meer over de Spelen pagina 24-27