Veni vidi vici

marcelroosmalen
Schuin achter ons in de volksbuurt woont een gezin waarvan we de man ‘veni vidi vici 1984’ noemen. Hij is een echte familieman want altijd thuis. Vanaf het balkon zien we hem met zijn dochtertje de tijd doden op een trampoline die de halve achtertuin beslaat. Meestal doet hij dat in zijn blote bast, op zijn rug staan vleugels getatoeëerd met daaronder in blokletters: ‘veni vidi vici’ – naar een uitspraak van Julius Ceasar die ‘ik kwam, ik zag, ik overwon’ betekent – en het jaartal 1984.

Zijn vrouw komt soms naar buiten om hem te wijzen op iets wat hij heeft nagelaten om te doen. Over het wegbrengen van de lege flessen, er stond onder het raam inderdaad een indrukwekkende voorraad, hadden ze al vaak dezelfde ruzie gehad.

„Het gaat weer beginnen”, zeiden we tegen elkaar als ze naar buiten stiefelde. Hij bleef gewoon doorspringen met zijn dochtertje – een meisje met uitstaande voortanden dat altijd een roze tutu draagt – als ze over de lege flessen begon en riep dan dat hij zich niet liet commanderen, vaak gevolgd door een scheldwoord. Zij schold terug, vaak voorzag ze de scheldwoorden van het bijvoeglijk naamwoord ‘lui’, bijvoorbeeld ‘luie slappe lul’.

Heel eerlijk: we vonden het gezin een verademing in deze vergrijsde buurt. Bij mooi weer aten ze buiten. De ruzie over wie de laatste lik uit een bijna lege pot mayonaise nam, was een vijfsterrenvoorstelling.

Gisteren zagen we hem na een wild ingezette sprong tussen de lege flessen (die hij allang weg had moeten brengen) smakken. Toen hij maar ‘au’ bleef roepen, voelde het als een plicht om me ermee te bemoeien.

„Heeft u pijn, buurman?”, schreeuwde ik vanaf het balkon naar de bekende weg.

„Ja”, riep hij terug, maar ik hoefde 112 niet te bellen.

„Ik heb geen vleeswond, maar toch bedankt voor de interesse.”

Zijn dochtertje sprong gewoon door, die keek nergens meer van op.

Terwijl ‘veni vidi vici 1984’ zichzelf tussen het glaswerk overeind trok aan de vensterbank, gooide zijn vrouw de achterdeur open.

„Breng nou godverdomme die flessen eens w..”, riep ze op de automatische piloot, maar toen ze naar opzij keek, zakte het volume. „O, je bent al bezig”, zei ze en ze ging weer naar binnen. Hij zette wat flessen rechtop, maar bedacht zich dan toch en stond even later weer op de trampoline. Zo gemakkelijk gaf hij zich niet gewonnen, hij had die letters niet voor niets op zijn rug.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.