Trots, vraatzucht, jaloezie en kerkmuziek

Opera

‘Die sieben Todsünden’ van Bertold Brecht en Kurt Weill is geactualiseerd. Geen sinecure, want het was al zo complex.

Repetitie van Brechts Die sieben Todsunden met vooraan Cora Burggraaf, donderdagmiddag in Delft. Foto Maurice Boyer

Een zonde begaan? Ach, het is zo relatief. Neem Anna, de hoofdpersoon van Die sieben Todsünden van Bertold Brecht en Kurt Weill. Ze reist zeven Amerikaanse steden af om geld te verdienen – de familie thuis wil immers een nieuw huis. Dus wordt ze een danseres in Memphis en moeten haar kleren uit, ook al wil ze dat liever niet (trots!). Sluit ze in Philadelphia een danscontract dat haar verbiedt één gram aan te komen, ook al heeft ze honger (vraatzucht!). En benijdt ze in San Francisco degenen die wél een goed leven leiden (jaloezie!).

Mikpunt van spot

Uiteraard is niet zozeer de zondige Anne als wel het kapitalisme mikpunt van spot: de familie van Anne verschuilt zich achter een christelijke moraal maar verlustigt zich ondertussen in het almaar groeiende huis. Typerend materiaal voor Brecht en Weill, die met Die sieben Todsünden in 1933 een ‘ballet chanté’ afleverden: hoofdpersoon Anna is opgesplitst in een zangeres en een danseres, de familie wordt vertolkt door een barbershop quartet van vier mannen.

Het werk stond al lang op het verlanglijstje van violiste Liza Ferschtman, dirigent Bas Wiechers en sopraan Cora Burggraaf. Zaterdag vindt de première plaats in Ferschtmans kamermuziekfestival in Delft, en is het aansluitend te zien in Radio Kootwijk in coproductie met de NJO Muziekzomer.

„De zangeres en de danseres vormen twee zijden van dezelfde medaille”, legt Cora Burggraaf uit. „Terwijl de zangeres Anna I heel geraffineerd en realistisch is, probeert de danseres Anna II alles zo goed mogelijk te doen – wat natuurlijk zinloos blijkt.” Weills muziek is een amalgaam van stijlen: foxtrot, kerkmuziek, close harmony en cabareteske zanglijnen, oorspronkelijk voor Weills vrouw Lotte Lenya geschreven. „Die rauwe muziek zit heel dicht op de tekst en is heerlijk om te zingen”, vindt Burggraaf. „Het moeilijkst is dat ik ondertussen moet meebewegen met de danseres, dat moet natuurlijk wel een beetje synchroon gaan.”

Veranderd moraal

Hoewel Todsünden al een complex stuk is, besloten de makers er nog actuele teksten aan toe te voegen. Burggraaf: „Brecht onderzoekt hoeveel moreel besef je kunt opgeven om geld te verdienen. Maar de moraal is ondertussen veranderd: het is anno 2016 een zonde om níet succesvol te zijn. Naar hebzucht wordt nu heel anders gekeken. En je introvert gedragen is de nieuwe zonde.”

Dus werd vier schrijvers verzocht om een actuele bijdrage. Niña Weijers, bijvoorbeeld, schreef een geestige monoloog over de zonde om niet in het moment te leven: een mindfulnesscoach probeert de geest leeg te maken, helaas met weinig succes. En Bas Heijne leverde een dialoog over ‘verbale incontinentie’, waarin actuele kwesties oppervlakkig worden besproken zonder dat de discussianten naar elkaar luisteren.

„Op sociale media merk je dat debatteren geen uitwisseling van argumenten meer is maar het harnassen van je eigen identiteit”, licht Heijne toe. „Het gaat om zelfvergroting met behulp van actuele kwesties, waarbij de werkelijkheid wordt misbruikt. Kijk maar naar Trump en Erdogan. Uiteraard zet ik hierbij als columnist ook het mes in mijzelf: in de orgie van meningen rondom Abu Jahjah heb ik sterk de neiging om zelf óók op de trom te gaan slaan.”

Zelfreflectie

Het is die zelfreflectie die regisseur Pepijn Cladder in zijn enscenering zichtbaar wil maken: op de speelvloer staan zeven licht gekantelde spiegels. Cladder: „De belangrijkste vraag voor de zondaar is: kun je jezelf aan het eind van de dag nog in de spiegel aankijken? Ben je je bewust van je zonden en is het het waard geweest?”

De zangers dragen de nieuwe teksten voor, voor acteurs is geen geld. Cladder: „De opera zelf tot leven brengen is al moeilijk genoeg, aan mij de onmogelijke taak om ook nog de moderne teksten hierin te integreren. Maar in de tijd van Weill en Brecht was er al sprake van jongleurs, amateurs en gekke liedjes, dus een echte stijlbreuk zal het hopelijk niet zijn.”