Naakt

De jongen die bedden vervoert praat niet, of in ieder geval zo min mogelijk. „Blanket?”, mompelt hij. Hij graait een deken van een stapel en drapeert die over mijn laken. Terwijl hij het bed door de gangen laveert, kijkt hij net over mijn kruin heen. Ik bestudeer zijn gezicht: neus uit het lood, diepe frons, licht pafferige wangen. Zou dit het laatste gezicht zijn dat ik zie, voordat ik nooit meer uit de narcose ontwaak? Die onzin-angst van patiënten komt mij nu ook opeens plagen. De jongen zonder naam parkeert mijn bed in een kleine ruimte en zegt dan zelfs een hele zin: „Er komt zo iemand bij je, als er iets is, kun je op dit knopje drukken.”

De anesthesist komt binnen en zegt dat ik een formulier moet tekenen, waarin ik aangeef dat ik op de hoogte ben van alle risico’s van de narcose. Hij vraagt me of ik naar de operatiekamer kan lopen. Dat kan ik. Voor ik opsta doe ik een totaal zinloze poging mijn operatiehemd naar beneden te trekken. Dan loop ik in mijn blote kont naar de operatietafel. De gynaecoloog geeft me een hand. „John Davies. Het spijt me dat we op deze manier moeten kennismaken”, zegt hij. Ook hij geeft me een formulier om te tekenen. Terwijl hij toekijkt teken ik haastig. Wat teken ik eigenlijk? Dat ik volledig zelf aansprakelijk ben, mocht de operatie fout gaan? Ik probeer het formulier alsnog te lezen, maar kan me niet concentreren. De letters zijn te klein, de tekst is te lang, mijn hoofd te vol. Ik denk aan drie dagen geleden, hoe we uitgelaten over de kade in Wellington liepen. Tien weken zwanger, een goede echo bij acht weken, wat kon er nog misgaan? In een cafeetje met livemuziek schreven we namen op een servetje. Vier jongens-, drie meisjesnamen.

Ik vraag John Davies of er nog onderzoek gedaan moet worden, omdat dit de derde miskraam is. „Maar je tweede zwangerschap was toch normaal?”, wijst hij me terecht. „2014. So your daughter is two. That is very recent.” Davies wil weglopen. Ik denk aan de tip die ik mijn patiënten geef, dat ze een vragenlijst moeten maken als ze naar een specialist gaan: „Zorg dat je niet na drie minuten weer buiten staat. Voor je de kamer verlaat, check je eerst of al je vragen zijn beantwoord.”

„Wacht!”, roep ik, half in paniek. Ik vraag Davies over de echo, of hij kan verklaren waarom er bij acht weken nog een hartslag was en bij tien weken niet meer. En of hij heeft gezien dat de placenta in verhouding veel te groot was, met een druiventrossenstructuur, die kan wijzen op... „Het heeft geen zin voorbarig conclusies te trekken”, valt hij me in de rede. „We sturen de vrucht op naar de pathologie. En de uitslag zal ons wel vertellen of het een mola-zwangerschap was of niet.”

Davies vindt duidelijk dat ik niet zo moet zeiken. Er zijn mensen met kanker. Jij hebt gewoon een miskraam, lees ik in zijn ogen. Of vindt hij me een slechte huisarts en doet hij daarom zo? Of word ik gewoon paranoïde, doordat ik naakt onder een laken moet communiceren met een collega?

Davies slaat mijn dossier dicht en kijkt me aan. „Hoe is het trouwens afgelopen met die patiënte van je met dat huiselijk geweld en die abortus?”

Huisarts Anne Hermans is vertrokken naar een praktijk in Nieuw-Zeeland en schrijft columns gebaseerd op haar ervaringen. Frits Abrahams hervat zijn column eind augustus.