‘Mijn handen waren blauw, mijn nagels lieten los’

Interview Golog Jigme Gyatso

(44) was als kind al bang voor ‘de Chinezen’. Na martelingen vreesde de Tibetaanse monnik voor zijn leven. Hij wist uit de cel te ontsnappen en zwierf anderhalf jaar door China voordat hij erin slaagde het land te ontvluchten.

Dat hij van de Chinezen weinig goeds had te duchten was de Tibetaan Golog Jigme Gyatso (44) al van kindsbeen duidelijk. „Toen ik een jongetje was, renden we altijd weg en verstopten ons wanneer een Chinees ons dorpje in het oosten van Tibet naderde”, vertelt de Tibetaanse monnik. „En wanneer we stout waren, dreigden onze ouders dat ze de Chinezen zouden roepen. Iedereen was er diep van doordrongen dat de Chinezen de koloniale heersers in Tibet waren, de onderdrukkers.”

Golog Jigme, die later aan den lijve zou ervaren dat die vrees voor de Chinezen niet overdreven was, glimlacht bij de herinnering en trekt zijn paarsrode monniksgewaad recht. Om zijn linkerpols heeft hij een gebedssnoer gewikkeld.

Zojuist heeft hij medewerkers van Amnesty International bijgepraat over de aanhoudende repressie van het Tibetaanse volk door China. Over de zelfverbranding van ruim honderd Tibetanen, onder wie monniken en nonnen, uit protest tegen de Chinese heerschappij. Over de vooralsnog onstuitbare opmars van de Chinezen in zijn geliefde Tibet, economisch, cultureel, op vrijwel alle terreinen.

Anders dan in Tibet, dat hij zelf na grote ontberingen in 2014 ontvluchtte, kan de boeddhistische monnik hier vrijuit spreken. Zelfs in het befaamde Labrangklooster, waar Golog Jigme al op vijftienjarige leeftijd was toegetreden en waar hij decennia verbleef, moesten de circa duizend monniken altijd letten op hun woorden.

Politieagenten verkleed als monnik

„Als we het over politiek hadden”, vertelt Jigme in een kamertje bij Amnesty International in Amsterdam, „moest dat altijd in het geheim. Steeds moesten we op onze hoede zijn voor politieagenten die zich als monniken verkleedden. Na 2008 werd het nog riskanter doordat de Chinezen gebruik begonnen te maken van nieuwe technologie. Ze gebruikten mobiele telefoons om af te luisteren of installeerden opnameapparaatjes in het klooster.”

Al die risico’s weerhielden Golog Jigme er niet van zich uit alle macht in te zetten voor het behoud van de Tibetaanse cultuur. Hij hielp pamfletten verspreiden en probeerde zoveel mogelijk Tibetanen in persoonlijke gesprekken een hart onder de riem te steken. Maar toen duidelijk werd dat China als gastheer zou optreden voor de Olympische Spelen van 2008 in Beijing besefte hij dat er iets groters nodig was.

Zo kwam hij op een voor monniken niet alledaags idee: het maken van een film die de buitenwereld moest vertellen hoe gewone Tibetanen over de toestand van hun land dachten. De film zou de propaganda van de Chinezen moeten ontzenuwen dat het achterlijke Tibet zich onder Chinese leiding eindelijk goed begon te ontwikkelen en dat alles er pais en vree was. „We hadden het gevoel dat de Chinezen mensen in de buitenwereld een donkere bril op hadden gezet die de werkelijkheid verhulde.”

Zo ging Golog Jigme in de herfst van 2007 met filmmaker Dhondup Wangchen aan de slag. Vooral in het oosten van Tibet reisde hij allerlei dorpen af om bewoners te interviewen. „Ik vertelde ze over de risico’s, dat ze misschien gearresteerd konden worden, maar de meesten werkten graag mee.” De dorpelingen vertelden hoe ze snakten naar meer vrijheid en over hun aanhankelijkheid aan de dalai lama, de in 1959 naar India gevluchte religieuze leider van de Tibetanen.

„Eerst moest ik leren hoe je filmt”, lacht de monnik. „Toen ik het eerste filmpje terugkeek dat ik had gemaakt, werd ik duizelig, zozeer trilde en schokte het beeld. Onderweg moest ik vervolgens heel voorzichtig te werk gaan, om anderen, mijzelf en mijn opnames niet in gevaar te brengen. In hotels sliep ik sliep nooit, altijd op afgelegen plaatsen.”

Enkele maanden voor de Spelen begonnen, verscheen de naar het buitenland gesmokkelde documentaire met de toepasselijke titel Leaving Fear Behind, op YouTube. Hij werd veel in het buitenland bekeken en ook voor buitenlandse correspondenten in Beijing in het geheim vertoond. The New York Times omschreef de film, die technisch verre van perfect was, als „een onopgesmukte aanklacht tegen de Chinese regering”.

De Chinese autoriteiten, waren woedend, te meer omdat net rond die tijd hevige onlusten uitbraken in Tibet.

Het duurde niet lang of Golog Jigme en Dondup Wangchen werden gearresteerd. „Op 23 maart 2008 werd ik door de politie opgepakt en naar een martelcentrum overgebracht. Gedurende zeven weken werd ik, steeds weer met andere methodes, hevig gemarteld, vaak dag en nacht.”

Nog altijd enigszins geëmotioneerd, pakt de monnik zijn telefoon erbij en wijst naar een plaatje van een zwarte stoel, waarop een gevangene met handen en voeten kon worden vastgezet. „Ze draaiden de metalen ringen om mijn polsen strakker en strakker aan, zodat ik al gauw niets meer voelde. Mijn handen werden helemaal blauw en na enige tijd begonnen zelfs mijn nagels los te laten. Ook richtten ze soms hete lampen op je hoofd, waardoor je het gevoel kreeg dat je verbrandde.”

Acht keer in de hangstoel

Nog gruwelijker was volgens de monnik de methode waarbij de gevangene wordt vastgezet in de diaodiaoyi, een stoel waarin hij langdurig op extreem pijnlijke manier wordt vastgebonden op zo’n manier dat hij zijn lichaam nergens op kan laten rusten, terwijl zijn borstkas klem zit tegen een plank. Zijn voeten raken de grond niet en de gevangene hangt in de stoel. „Acht keer werd ik in die hangstoel gezet”, vertelt Golog Jigme. „Ik had het gevoel dat ik doodging.”

Tot een proces kwam het nooit, maar de monnik werd ervan beschuldigd staatsgeheimen te hebben verraden en dat hij zich aan separatisme had bezondigd. „Dat was merkwaardig”, zegt hij. „De Chinezen beweerden dat Tibet zulke geweldige vooruitgang boekte. Maar toen we burgers daarover zelf lieten spreken was het plotseling een staatsgeheim.”

Zijn kwelgeesten wilden namen van de mensen die de makers hadden gesproken voor hun film. „Maar ik ben er trots op dat ik kan zeggen dat ik niemand heb verraden”, zegt de monnik en weer breekt die brede glimlach door. Na zeven maanden – de Olympische Spelen waren inmiddels voorbij – werd Golog Jigme vrijgelaten en kon hij terug naar zijn klooster.

In 2009 werd hij weer enige tijd in hechtenis genomen en in 2012 was het weer raak.

Zelfverbranding als offer

Op dat moment waren er steeds meer Tibetanen, onder wie ook monniken en een paar nonnen, die zichzelf met petroleum overgoten en in brand staken, uit protest tegen de onderdrukking. Golog Jigme werd er door de autoriteiten van beschuldigd mensen op te hitsen om zichzelf in brand te steken. „Dat was niet zo”, zegt hij. „Wel verspreidde ik het nieuws over de zelfverbrandingen.”

Anders dan sommige critici, ook boeddhisten, veroordeelt Golog Jigme zulke protestdaden niet. „Ze doen er niemand kwaad mee behalve zichzelf. Ze offeren zichzelf op ten behoeve van de gemeenschap. Volgens mij druist dat niet in tegen de boeddhistische leer. Ze geven er wel een krachtig signaal mee af aan de rest van de wereld.”

Hoewel hij ditmaal niet werd gemarteld, kreeg de monnik de indruk dat zijn leven gevaar liep. Na negen nachten wist hij ’s nachts zijn voetboeien los te krijgen en te ontkomen uit het politiebureau. Ogenblikkelijk vluchtte hij de bergen in. Wekenlang trok hij bedelend langs naburige arme moslimdorpjes. Hij kreeg net genoeg te eten om niet te sterven.

Ten slotte wist hij vrienden te bellen, die ervoor zorgden dat hij geld en eten kreeg. „Maar ik bleef me verschuilen, want de Chinezen hadden een beloning van 200.000 yuan (ruim 27.000 euro, red.) uitgeloofd voor informatie die tot mijn arrestatie zou leiden.”

Tenslotte, na ruim anderhalf jaar rondzwerven, zag de monnik in 2014 geen andere uitweg dan een vlucht naar het buitenland. Hij nam een mensensmokkelaar in de arm, aan wie hij 150.000 yuan betaalde. Veel wil Golog Jigme daarover niet zeggen. Deels per auto, deels te voet, wist hij Nepal te bereiken. „Toen ik India bereikte, slaakte ik een diepe zucht van opluchting.”

Nadat hij op krachten was gekomen in Dharamsala, de Indiase plaats in de uitlopers van de Himalaya waar de dalai lama verblijft, reisde Golog Jigme door naar Zwitserland. Daar kreeg hij politiek asiel en probeert hij nu Duits te leren. „Maar mijn missie blijft dezelfde als voorheen: me inzetten voor de mensenrechten van de Tibetanen en onze vrijheid.”

Denkt hij ooit nog voet te zetten in zijn geliefde land? „Ik heb de hoop niet verloren”, zegt hij. „Na verloop van tijd storten zulke autoritaire en communistische regimes in. En volgens mij duurt dat niet lang meer.”