Lichtzinnige kletskoek over terreur als armeluiswapen

Hubert Smeets is Oost-Europadeskundige en verbindt om de week verleden met het heden.

De Brusselse gemeente Molenbeek, afgelopen november. Leidt sociale deprivatie tot terrorisme? Foto Bas Czerwinski/ANP

©

Laura H. is terug in het land. Samen met man en kinderen was ze naar de Islamitische Staat getrokken. Naar eigen zeggen zou ze in Turkije met vakantie gaan. Haar buren in Leidschendam dachten er het hunne van. Die vertelden de NOS dat het gezin niets te makken had.

Is Laura H. een illustratie voor de na het Brusselse Molenbeek ook in Nederland verkondigde stelling dat sociale deprivatie een voedingsbodem is voor terrorisme? Nee! De ook in Nederland gepropageerde theorie dat terrorisme vooral gedijt in de kommervolle omstandigheden van de hedendaagse bidonvilles, is lichtzinnige kletskoek.

Ongetwijfeld lopen er boze mannen met automatische wapens en bomgordels rond die met een prettige baan en een sociale woning niets zouden uitspoken. Vermoedelijk is er een steekje los aan Anders Breivik en Salah Abdeslam. Maar sinds 11 september 2001 kunnen we ook weten dat de bestrijding van terrorisme gecompliceerder is dan social engineering.

De daders van 9/11 hadden keurige opleidingen genoten aan gerespecteerde hogescholen. Mohammed Atta, de 33-jarige Egyptenaar die in 2001 een WTC-toren in New York binnenvloog, was een advocatenzoon en had zelf aan technische universiteiten in Kairo en Hamburg gestudeerd. De puissant rijke aannemerszoon Osama bin Laden zou zijn hele leven aan het zwembad hebben kunnen hangen.

Niet-statelijk politiek geweld

Al anderhalve eeuw is bekend dat terrorisme een politiek strijdwapen is, zoals de cavalerie dat ook kan zijn. Een der theoretici van het niet-statelijke politieke geweld, de anarchist Michail Bakoenin (1814-1876), was van adellijken huize. Aleksandr Oeljanov, de oudere broer van Lenin die in 1887 de doodstraf kreeg wegens een moordaanslag op de tsaar, kwam uit een onderwijzersgezin.

Gewelddadig épater le bourgeois is niet verdwenen. Bijna vijftig jaar terug werd West-Europa er nadrukkelijk mee geconfronteerd. De eerste activisten van de Rote Armee Fraktion (RAF) waren geen maatschappelijke losers a priori. Andreas Baader was een speedfreak uit een gebroken gezin, dat is waar. Maar zijn vriendin Gudrun Ensslin was een domineesdochter. Jan-Carl Raspe, zoon van een in 1944 overleden fabrikant, werd chemicus en socioloog. Holger Meins kwam uit een koopmansfamilie. Een enkele RAF’er had hooguit te kampen gehad met een vader die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog nazi was geweest.

Rasterfahndung

De Duitse overheid ging de RAF met een breed scala aan middelen te lijf. Met Rasterfahndung, een soort datamining om allerhande verdachte maar op zichzelf niet-gewelddadige handelingen bij elkaar te kunnen brengen. Met zware pressie op ‘sympathisanten’, die in de buitenste cirkels bescherming boden aan de harde kern zonder zelf een wapen door te laden.

Er stond immers veel op het spel. Los van het feit dat de West-Duitse regering toen al vermoedde dat de RAF actief werd gesteund door de Stasi in Oost-Duitsland, kon West-Duitsland zich na de Hitlerjugend niet nog een Stalinjeugd veroorloven.

Is alles dan hetzelfde? Nee. De RAF’ers, die hun basisopleiding overigens hadden gekregen in Jemen, waren ‘autochtone’ jongeren die zich verzetten tegen hun ‘autochtone’ ouders die zich Hitler hadden laten welgevallen. Ze werden geïnspireerd door de westerse (totalitaire) denkers Marx, Bakoenin en Lenin.

De moslimbommen worden gegooid door een ‘allochtone jeugd’, die weliswaar ook geen respect heeft voor haar ‘allochtone ouders’, maar zich legitimeren met islamitische traktaten.

Dat is een belangrijk verschil. Das Kapital voelt dichterbij dan de Koran.