FDR stak allen de loef af

Recensie

Roosevelt en niet Churchill bepaalde de koers van de geallieerden. Laatstgenoemde wilde geen invasie in Normandië; hij was te getraumatiseerd door eerdere ervaringen.

V.l.n.r. Generaal Henri Giraud, president F.D. Roosevelt, generaal Charles de Gaulle en premier Winston Churchill in Casablanca, 1943 Foto PhotoQuest/ Getty Images

0508CULrooseveltchuchill

Wie bepaalde de koers van de geallieerden in het belangrijke oorlogsjaar 1943? Was dat de Britse premier en oorlogsleider pur sang Winston Churchill of de aan zijn rolstoel gekluisterde Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt? Het verrassende antwoord van historicus Nigel Hamilton, Brit van geboorte maar inmiddels Amerikaans staatsburger, is dat het vooral Roosevelt was. Op essentiële punten was FDR degene die een stempel drukte op grote militaire beslissingen in een jaar dat de krijgskansen begonnen te keren.

Hamilton laat zijn boek beginnen met de Conferentie van Casablanca, in januari 1943, waar Roosevelt en Churchill met hun staf hun strategie op elkaar afstemden. Nooit eerder was een Amerikaanse president in oorlogstijd zo ver van huis gereisd.

Stalin, wiens Rode Leger op het punt stond Hitlers Wehrmacht bij Stalingrad te verslaan, liet verstek gaan. Wel was er nog een wat ongemakkelijke bijrol weggelegd voor Charles de Gaulle, leider van de vrije Fransen, die door Roosevelt en Churchill als gast was uitgenodigd op wat hij als Frans grondgebied beschouwde.

Vooraf had Roosevelt vooral veel te stellen met zijn eigen generaals, die dat jaar al een invasie wilden uitvoeren op de Franse kust. Te riskant, vond Roosevelt, eerst moesten de Amerikaanse militairen maar eens gevechtservaring opdoen in de iets makkelijker omgeving van Noord-Afrika alvorens ze het met succes tegen de crème de la crème van de Wehrmacht zouden kunnen opnemen.

Oostfront

Casablanca werd een succes. Roosevelt bezocht er niet alleen de eigen troepen maar bereikte ook een akkoord met Churchill om eerst op te rukken in Noord-Afrika en daarna over te steken naar Sicilië en Italië. Zo hoopten ze Duitse troepen weg te lokken van het Oostfront. Tegelijk zouden de Amerikanen die herfst al beginnen met het overbrengen van zowel ervaren gevechtstroepen uit Afrika als verse troepen naar Groot-Brittannië met het oog op een invasie in Frankrijk in het voorjaar van 1944. Een volwaardig tweede front in Europa, waarop Stalin al zolang aandrong, zou daarmee een feit worden.

Roosevelt wist ook gedaan te krijgen dat de geallieerden plechtig verklaarden slechts met een onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en Japan genoegen te nemen. Door veel historici is dat als een blunder beschouwd, omdat de nazi’s en de Japanse leiders zo de eigen bevolking konden voorhouden dat ze zich beter dood konden vechten. Met de geallieerden viel toch niet te praten. Enkele weken later hield propaganda-minister Joseph Goebbels zijn beruchte rede waarin hij de Duitse bevolking vroeg: ‘Wollt ihr den totalen Krieg?’ Gejuich was zijn deel.

Hamilton walst hier in zijn boek nogal luchtig over heen. Het was onmogelijk met zulke misdadige regimes te onderhandelen, betoogt hij. In het algemeen is de auteur uiterst spaarzaam met kritiek op Roosevelt. Hij duidt hem nu eens aan als wijs en tactvol, dan weer als vasthoudend en doelgericht.

De zo vaak bewierookte Churchill daarentegen krijgt er steeds van langs. Hij is lichtgeraakt, vervuld van militaire obsessies, grillig en soms ronduit onbetrouwbaar, schrijft Hamilton. Bovendien houdt hij vast aan het anachronistische Britse koloniale rijk.

In een kenmerkende passage, schrijft Hamilton over een bilaterale ontmoeting in het Canadese Quebec in augustus 1943, waarbij Churchill Roosevelt tegensprak over de noodzaak van een invasie in Frankrijk in 1944. ‘Dat Churchill de strategie die de president van de Verenigde Staten had bepaald en die in Casablanca overeen was gekomen, ten overstaan van de president, recht in zijn gezicht en tegenover diens hoogste militaire adviseurs openlijk zou weerspreken en trotseren, leek ongelooflijk.’ Maar waarom zou Churchill, zelf leider van een grote mogendheid, dat niet mogen doen, ook al waren de VS op dat moment al veel machtiger dan de Britten?

Hamilton schrijft in zijn inleiding dat zijn doel is een correctie te bewerkstelligen in de onderbelichte beeldvorming van Roosevelts rol als bevelhebber. Maar doordat hij de kwaliteiten van Roosevelt bijna systematisch extra zwaar aanzet en de tekortkomingen van Churchill breed uitmeet, bekruipt je als lezer onwillekeurig het gevoel dat je wordt gemanipuleerd. Dat is jammer, want Hamilton heeft genoeg interessants verzameld om zijn stelling aannemelijk te maken.

Krankzinnig plan

Als het aan Churchill (en sommige Britse generaals) had gelegen, was de invasie in Frankrijk er vermoedelijk pas veel later of zelfs nooit geweest. Churchill had een trauma overgehouden aan de mislukte landing in het Turkse Gallipoli tijdens de Eerste Wereldoorlog (1915), een idee van hemzelf. Ook de vlucht uit Duinkerken stond hem nog helder voor de geest evenals een mislukte inval bij Dieppe in 1942. Bovendien hoopte hij via controle over de Middellandse Zee de toegang tot Brits-Indië veilig te stellen. Daarom voelde Churchill meer voor een omvangrijk offensief in Italië.

Volgens Hamilton was zo’n veldtocht in Italië echter riskant en bovendien ‘gerommel in de marge’. Het ‘deed ernstige vragen rijzen over de geestelijke gezondheid van de premier’, schrijft hij zelfs. Maar zo’n krankzinnig plan was die veldtocht in Italië niet. Toen de Amerikanen en de Britten waren binnengevallen in het zuiden van Italië, werd Hitler gedwongen een flink aantal divisies aan het Oostfront te onttrekken om Italië in handen te houden. En dat verschafte het Rode Leger op een kritiek moment nu net extra lucht, zoals onder anderen Goebbels in zijn dagboek erkende. Daaraan deed de uiteindelijk succesvolle invasie op D-Day niets af.