De prijzen dalen, maar is dat goed?

Vier vragen over negatieve inflatie

De prijzen in Nederland dalen voor het eerst in bijna dertig jaar, meldt het CBS. Moeten we daar blij mee zijn?

©

1.Wat is er aan de hand?

Elke maand meet het Centraal Bureau voor de Statistiek hoeveel de prijzen in Nederland zijn gestegen (of gedaald) ten opzichte van dezelfde maand, een jaar eerder. Het CBS doet dat met behulp van een ‘boodschappenmandje’, zoals het bureau het noemt.

In dat boodschappenmandje zit een hele serie goederen en diensten waaraan Nederlandse huishoudens hun geld uitgeven. Levensmiddelen, huur, gas en elektra, maar ook uitgaven voor vervoer, de kapper, alcohol en tabak, recreatie en cultuur. Een heel pakket dus, wat een gemiddeld huishouden maandelijks gebruikt.

Door de uitgaven aan die hele serie producten te vergelijken met de uitgaven van exact een jaar daarvoor, kan berekend worden of met hetzelfde geld meer of minder gekocht kan worden. Dit levert het ‘inflatiecijfer’ op.

In juli was dit cijfer voor het eerst sinds 1987 negatief: de prijs van goederen en diensten daalde met 0,3 procent. Bijna altijd stijgt het cijfer: de prijs voor de producten en diensten is doorgaans hoger dan een jaar geleden.

Maar een incident is het niet, de inflatie is al lange tijd laag. De belangrijkste verklaring voor de negatieve inflatie is dat de jaarlijkse huurverhoging in juli relatief laag was: gemiddeld 1,8 procent. Huren, waar veel consumenten het grootste deel van hun inkomen aan besteden, werd dus niet veel duurder.

Daarnaast daalde ook de prijs van een paar productcategorieën die wel vaker sterk in prijs schommelen, zoals energie, met name olie. Afgelopen maand kostte energie 6,4 procent minder dan een jaar eerder.

2.Aha, deflatie dus!

Nee. Negatieve inflatie is niet hetzelfde als deflatie, in de definitie zoals het CBS die hanteert. Inflatie is gebaseerd op de consumentenprijsindex, de kosten van het boodschappenmandje. Bij deflatie daalt het gehele prijspeil, inclusief aandelen, lonen en huizen. Daar is nog geen sprake van, met name doordat de huizenprijzen hard stijgen.

3.Voor wie is de daling van de prijzen goed nieuws?

Goedkopere spullen zijn in eerste instantie goed nieuws voor de consument. De koopkracht groeit, consumenten kunnen meer kopen voor hun euro. Ook de waarde van een pensioen gaat erop vooruit. Daarnaast wordt het vermogen van spaarders niet ieder jaar minder waard.

Welke specifieke groepen er in juli op vooruitgingen? „Mensen met een auto en mensen die veel stoken”, zegt Senne Janssen, econoom van ING. Die hebben baat bij de lage energieprijzen.

Ook kopers van elektronica hebben voordeel: de prijs van telefoons daalde in juli bijvoorbeeld met 16 procent ten opzichte van 2015. Wel moet gezegd worden dat de prijs van elektronica al meer dan een decennium daalt.

Nog een opvallende: pakketreizen kostten in juli 6,8 procent minder dan een jaar eerder. Tijd om een vakantie te boeken? De goedkope tickets en accommodaties hebben een andere verklaring, zegt Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het CBS. De schoolvakanties begonnen dit jaar later dan vorig jaar, waardoor het vakantieseizoen later op gang kwam.

4.Wie heeft er last van?

Voor schuldenaren is het lastiger aan hun verplichtingen te voldoen. Bij inflatie, als geld minder waard wordt, smelten bestaande schulden langzaam weg. Maar bij negatieve inflatie is het moeilijker om van schulden af te komen. De schuld wordt namelijk relatief meer waard. Dat is een probleem, zegt Janssen: „We hebben in Nederland behoorlijk wat schuld. Veel huizen staan onder water.”

Ook voor de staat is het vervelend als de waarde van de staatsschuld niet langer afneemt. Wel heeft de staat, net als mensen met een schuld, het voordeel dat de rente die over de schuldenlast moet worden betaald laag is.

Als de negatieve inflatie lange tijd aanhoudt, kan dat de economie in een negatieve spiraal brengen. „Als mensen meer aflossen om van hun schulden af te komen, consumeren ze minder en daalt de inflatie nog verder”, zegt Martijn Badir, econoom van de Rabobank. Die spiraal bereikt op termijn ook de consument, op het moment dat werkgevers in cao-onderhandelingen een loonsverhoging afwijzen, met een verwijzing naar de inflatie.

5. Wat moeten we nu doen?

Wat kúnnen we nog doen, zou de vraag ook kunnen zijn. Op Nederlands en Europees niveau gebeurt al veel om de uitgaven van consumenten te verhogen. De Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt pompt geld in de economie door staats- en bedrijfsobligaties op te kopen, en houdt de rente kunstmatig laag. Het tarief waartegen banken geld van de ECB kunnen lenen bedraagt 0 procent.

In Nederland moet een lastenverlaging van 5 miljard euro de consumptie aanjagen. Er wordt zelfs gedacht aan het experimenteren met ‘helikoptergeld’, waarbij consumenten geld direct op hun rekening gestort krijgen.