De keuken van Westerbork: de chef-kok maakte altijd stamppot

De documentaire ‘De keuken van kamp Westerbork’ bekijkt het kampleven vanuit het keukenraam.

Verjaardagskaart voor chef-kok Ernst David.

Er was net genoeg eten om de gevangenen rustig te houden, zegt de dochter van de chef-kok in De keuken van kamp Westerbork (NPO 2).

Deze documentaire van regisseur Santje Kramer hoort bij een expositie in het kampmuseum en laat zien wat er zoal op het menu stond in het Drentse doorgangskamp uit de Tweede Wereldoorlog. Stamppot vooral, van aardappels, wortels, rode- en witte kool. „Soepjes en groente en vlees, hier en daar….” kan een gevangen zich herinneren. „Het was eetbaar. Slecht en weinig.”

Veel lof voor wat hij serveerde, krijgt chef-kok Ernst David niet; zijn grote verdienste was dat hij überhaupt tienduizend mensen per dag kon voeden. Zijn dochter Ruth, geboren in het kamp, heeft eigenlijk wel mooie herinneringen aan haar kampjeugd. De familie David had zelf altijd goed te eten. Ze overleefden de oorlog.

Goed idee om het kampleven vanuit het keukenraam te bekijken. Eten was belangrijk, juist omdat het schaars was. Een overlevende zegt: „Voedsel was er niet alleen om je in leven te houden, het was ook een genot, iets om naar uit te kijken.”

Westerbork was een ordentelijk modelkamp: er werd nauwelijks mishandeld of gemoord, de gevangenen kwamen niet om van de honger. Er was een theater, een winkel, en een ziekenhuis. Duitsers zagen de bewoners nauwelijks.

Het was niet slecht, maar iedere week verdween wel een goed deel van de bewoners; dat maakte het leven in deze ‘schijnwereld’ zo vreemd. De angst voor de wekelijkse deportatie beheerste alles. Vanuit hier zijn 107.000 Joden naar Auschwitz en Sobibór vervoerd, waar ze vrijwel allemaal zijn vermoord. Westerbork was een keurig aangeveegd voorportaal van de hel.

De blik vanuit de keuken geeft een beeld van de ongelijkheid in het kamp. Zo vertelt de conservator van het kampmuseum dat in de voedsellijsten wel vlees staat genoemd, maar dat vrijwel niemand van de overlevenden zich vlees kan herinneren. Volgens hem wijst dat erop dat het vlees onder de kampelite werd verdeeld. Verder had je de mensen met goede relaties buiten het kamp, die voedselpakketten kregen, en mensen die niets kregen.

Het kamp werd goeddeels gerund door de gevangenen zelf. Bovenaan de pikorde stonden de Duitse Joden die hier al voor de oorlog zaten – Westerbork begon in 1939 als vluchtelingenkamp voor Joden die voor de nazi’s waren gevlucht. Pas in 1942, twee jaar na de Duitse inval werd het een doorgangskamp. Degenen die er het langste zaten, hadden de beste banen, de privileges, en de minste kans om op transport te moeten. Een baan in de keuken was gewild.

De blik op voedsel laat ook iets zien van de economie rond het kamp. Drentse boeren leverden groente, eieren en melk – legaal en illegaal – en gebruikten gevangenen als landarbeiders. De zoon van de bakker vertelt dat zijn vader drieduizend broden per dag leverde. Hij laat trots een foto zien van zijn vader tussen de broden: „Toen had-ie een miljoen broden geleverd. Ja, arm wast-ie niet.”