Borsten als welpen van een gazelle

JannetjeKoelewijn

Als de verzorgster van je moeder je om achttien minuten over vijf in de nacht belt, dan weet je wel wat ze gaat zeggen. Toch komen haar woorden hard aan. Vroeg in de ochtend loop ik met mijn vader naar mijn moeders kamer, en daar ligt ze, in haar eigen bed, fris gewassen in haar rode nachtjapon. De vlijtige liesjes in de vensterbank, waar ze laatst met smaak van heeft zitten eten, laten hun kopjes hangen. De avond ervoor heb ik ze nog water gegeven.

Mijn vader vindt het „niet nodig” om naar haar te kijken, laat staan haar aan te raken. Hij wil dat ik de Friese staartklok stilzet. „Die gaat naar Rinskje”, piept hij. Mijn jongste zusje, vernoemd naar mijn moeder. „Die hebben we na haar geboorte gekocht met het geld van oma Brak.” Alsof ik dat niet wist. Als we teruggaan naar zijn kamer, hij achter zijn rollator, begint hij uit te rekenen dat ze 76 jaar samen zijn geweest. „Maar we kregen pas later verkering, hoor.” Ach, hij ziet haar nog binnenkomen in de klas bij meester Riedijk. Zo lief, zo klein. Hij, toen ook al: een onmogelijke slungel.

Beneden laat mijn vader zich op de bank zakken en zet hij zijn oude vertrouwde commandostem op. „Pak de bijbel eens. Nee, nee, die andere. De trouwbijbel. Zoek Spreuken 31 op. Kun je het vinden? Dat kun je toch nog wel vinden! Spreuken komt na Psalmen.” Ik begin voor te lezen. „Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde gaat die van koralen ver te boven!”

Zijn bijna blinde ogen kleuren rood. Daarna wil hij Psalm 146 horen en een deel uit Hooglied. „Je beide borsten zijn als twee welpen, de tweeling van een gazelle, weidend tussen de lelies.” Hij wil dat we het allemaal nog een keer zullen voorlezen bij de begrafenis. We zullen luisteren naar Bachcantate 106, Gottes Zeit is die allerbeste Zeit. En bij het graf gaat hij het Onzevader bidden. In haar dood zal mijn moeder dan toch eindelijk de gereformeerde vrouw zijn die hij zich zo gewenst heeft.

’s Middags trek ik mijn moeder haar mooiste jurk aan en als ze in haar kist ligt – sjaaltje om haar hals, dekentje over haar buik – vragen de mannen van de uitvaartonderneming of ik haar iets mee wil geven. Ik zeg dat dat toch allemaal maar sentiment is en pas de volgende dag, bij het leegmaken van haar boekenkast bedenk ik: Simone de Beauvoir. Als kleine daad van verzet had ik de boeken van Simone de Beauvoir bij haar in de kist moeten leggen. Elisabeth Badinter. Erica Jong. Marilyn French. Mijn moeder heeft ze allemaal gelezen. Maar hoe ze het ook geprobeerd heeft, het is haar niet gelukt om naar de boodschap ervan te leven.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus in deze wisselcolumn.