Altijd had Bush die‘goddelijke’ opdracht

Biografie

Deze ongeautoriseerde biografie over George W. Bush geeft goed aan hoe groot zijn falen was.

Een van de meest hilarische passages in de biografie Bush is de beschrijving van een telefoongesprek tussen George W. Bush en de Franse president Chirac, begin 2003. Bush probeerde Frankrijk zijn coalitie binnen te praten die Irak zou gaan aanvallen. Chirac sprak zijn twijfels uit. Bush appelleerde aan diens religieuze overtuiging. Ondanks onze verschillende roomse en methodistische achtergronden, aldus Bush, ‘delen wij één gemeenschappelijke Heer […] Gog en Magog zijn aan het werk in het Midden-Oosten. Bijbelse voorspellingen komen uit. Deze confrontatie is de wens van God, die dit conflict wil gebruiken om de vijanden van Zijn volk te vernietigen voordat een nieuwe tijd aanbreekt.’

Chirac was verbijsterd en had geen idee waar Bush het over had. Pas toen zijn staf had uitgezocht wie Gog en Magog dan wel mochten zijn (de kwade krachten die Satan terzijde staan bij de grote krachtmeting in de eindtijd) viel het doek definitief wat betreft de Franse bijdrage aan de coalitie. Hoeveel wapeninspecties er ook nog zouden volgen, George W. Bush was ervan overtuigd dat een oorlog met Irak de wil van God was, en Frankrijk was niet bereid aan een oorlog deel te nemen die gebaseerd was op Bush’ interpretatie van de Bijbel.

Jean Smith – hij schreef eerder biografieën van de presidenten Eisenhower, Franklin Roosevelt en Ulysses Grant – bewijst overtuigend in deze biografie dat het een religieuze openbaring was die Bush (1946) tot het besluit bracht dat hij deze oorlog moest voeren. Verder laat hij keer op keer zien dat Bush’ pompeuze uitspraak dat hij en niemand anders the decider was tot aan het eind van zijn tweede ambtstermijn zijn taakopvatting zou beheersen; dat hij zich in toenemende mate in die jaren met (bij voorkeur Texaanse) ja-knikkers omringde; en dat de duistere invloed van vice-president Cheney en minister van Defensie Rumsfeld minder groot was dan door velen werd aangenomen.

Smith maakt zijn oordeel over het presidentschap van Bush al duidelijk in de openingszin van zijn voorwoord: ‘Zelden heeft in de geschiedenis van de Verenigde Staten iemand de natie zo slecht gediend als George W. Bush tijdens zijn presidentschap.’ Om daar 660 bladzijden verder, als laatste zin aan toe te voegen: ‘Of George W. Bush de slechtste president in de Amerikaanse geschiedenis was zal nog lang onderwerp van debat zijn, maar zijn besluit om Irak binnen te vallen is met voorsprong de slechtste beslissing op het gebied van buitenlandse politiek die ooit door een Amerikaanse president is genomen.’

Geschoffeerd

Die vraag, of Bush jr. de ‘slechtste President in de Amerikaanse geschiedenis’ (2001-2009) zou zijn, werd al in 2006 (halverwege zijn tweede termijn) gesteld en positief beantwoord door het blad Rolling Stone, en later door Esquire overgenomen. Dat zijn opinies van de populaire journalistiek, oké. Maar in 2008 had een peiling onder Amerikaanse historici als uitkomst dat ook 61 procent van de geschiedenis-wetenschappers de vraag met ‘ja’ beantwoordde. Men hoeft geen overdreven bewondering voor George W. te hebben om dit een wat onzinnige vraagstelling te vinden. De evaluatie van een presidentschap is iets anders dan een Idols-verkiezing. En dan: hoeveel van degenen die de vraag met ‘ja’ beantwoordden zullen zich werkelijk hebben verdiept in de prestaties van voorgangers als Herbert Hoover en James Buchanan?

Bush zelf werkte niet mee aan dit boek omdat, zoals hij via een assistent liet weten, de auteur in 1992 een boek had gepubliceerd waarin hij zijn kritiek formuleerde op de beslissing van Bush sr. om de Eerste Golfoorlog te beginnen. Verklaart dit, al is het maar voor een deel, de uiterst kritische en hier en daar (voor een historicus opvallend) venijnige toonzetting van deze biografie?

Niet dat het moeilijk valt die kritiek te onderschrijven. Smith betoogt terecht dat de heilige opdracht die Bush zag om ‘democratie naar Irak te brengen’ niet alleen dat land, maar de hele regio ernstig heeft gedestabiliseerd, ‘het delicate evenwicht tussen de shi’ieten en sunnieten in het Midden-Oosten heeft vernietigd’ en de condities heeft geschapen voor ‘de nog voort durende opstand die nu geleid wordt door ISIS fundamentalisten’.

Het is dan ook weinig verwonderlijk dat een heel groot deel van het boek aan de Tweede Golfoorlog is gewijd, de aanloop er naartoe, de resulterende chaos en de aanvankelijk als succesvol beschouwde surge in 2006. Daarnaast besteedt Smith veel aandacht aan de onvoorstelbaar grote omvang die de binnenlandse spionage kon krijgen onder het Terrorist Surveillance Program en de martelpraktijken in Guantanamo Bay en elders. Bush had al ruim voor 9/11 besloten dat er regime change moest plaatsvinden in Irak. Toen Richard Clarke, hoofd van de anti-terreurafdeling van de Nationale Veiligheidsraad, hem meldde dat er geen enkele aanwijzing te vinden was dat Saddam Hoessein iets met de aanslagen op 9/11 te maken had, kreeg hij te verstaan dat hij dan maar beter moest zoeken. De rapporten van VN-wapeninspecteurs Blix en el-Baradei, die nergens in Irak massavernietingswapens konden vinden, werden genegeerd en tot irrelevant verklaard.

Op sommige punten is Smith overigens, ondanks zijn kritische instelling, nog voorzichtig. De mate waarin Blix en el-Baradei werden tegengewerkt en geschoffeerd blijft onderbelicht, zoals ook de omvang van het pakket leugens waarmee minister van Buitenlandse Zaken Powell naar de Veiligheidsraad van de VN werd gestuurd om de aanstaande inval te rechtvaardigen. Ook de impact van Amerika’s onmacht c.q. onwil om de plunderingen van Bagdads Nationaal Museum te verhinderen (‘Hoe konden wij nou weten dat ze zoveel vazen hadden’ was Rumsfelds onverschillige reactie) komt alleen maar terloops ter sprake, terwijl dat toch een belangrijk signaal was voor menigeen om Amerika niet langer als bevrijder maar als bezetter te zien.

Studiegenoten

Het nadeel van Bush’ weigering mee te werken aan de biografie is dat de persoon van de ex-president weinig heldere contouren krijgt: Smith moet het hoofdzakelijk doen met wat Bush zelf in zijn autobiografie heeft opgetekend, en met de schaarse herinneringen van bijvoorbeeld studiegenoten, van wie er een de latere president als ‘dynamically ignorant’ karakteriseert. Zijn besluit om op zijn veertigste voorgoed de fles af te zweren was hem ook al door het opperwezen ingefluisterd – wie goed luistert kan Gog en Magog daarover nog steeds horen morren in Texas.

Bij wijze van compensatie heeft Smith een uitputtend bronnenonderzoek gedaan. Zijn pogingen om George Bush recht te doen door ook op zijn positieve prestaties te wijzen (AIDS-bestrijding in Afrika, het onderwijsprogramma No Child Left Behind, alhoewel beide projecten ook terecht serieuze kritiek ondervonden en nog steeds ondervinden) zijn deels terecht, maar ook wat plichtmatig gepresenteerd. Aan het vele dat al over George W. Bush en zijn presidentschap is geschreven voegt Smith niet erg veel toe, maar het is zijn verdienste dat hij een degelijk overzicht geeft van een hoofdzakelijk tragische episode in de Amerikaanse geschiedenis.