Tranen

Mijn vader is dol op natuurkundige kwesties. Zijn lievelingsvraagstuk is het perpetuum mobile: een denkbeeldig apparaat dat, eenmaal aangeslingerd, uit zichzelf blijft bewegen. Zo’n ding is niet meer dan een gedachtenexperiment, maar onlangs waren mijn zus en ik toch vrij dicht bij een werkend exemplaar. Het enige dat ervoor nodig was, waren twee gebroken harten en twee overemotionele verwekkers.

Om bij te komen van onze relatiecrisissen waren we dit weekend naar onze ouders gegaan. Mijn zus en ik lijken behoorlijk op elkaar, en toen we in onze oude slaapkamer hand in hand bedroefd voor ons uit staarden, hadden we zo door kunnen gaan voor een van die dubbelzelfportretten van Frida Kahlo. Wegens de verdrietige omstandigheden hadden mijn zus en ik bovendien al weken onze wenkbrauw en snor laten staan, waardoor we nog Frida-fähiger waren.

Opeens kwam onze moeder binnen. We proberen normaliter altijd te voorkomen dat ze ons ziet huilen (ook dat is volwassenheid), maar we waren net zo lekker uitbundig aan het janken dat we niet konden stoppen. Onze moeder zag de tranen, schrok, verontschuldigde zich, en maakte zich uit de voeten. Ze weet dat we liever niet hebben dat ze ons ziet huilen.

„Shit,” zei mijn zus door het snot heen, „ze heeft ons gezien, kom, we moeten ons vermannen, straks denkt ze dat het slecht gaat.” We wreven een zakdoek over onze gezichten, sprongen vijf minuten op en neer en gingen vervolgens naar beneden. In de woonkamer zat onze moeder op de bank. Tranen vielen als knikkers uit haar ogen.

„Ik kan er niet tegen mijn kinderen ongelukkig te zien,” snikte ze. Waarop mijn zus en ik ook maar weer in huilen uitbarstten. Vervolgens hoorden we de achterdeur dichtslaan. Onze vader kwam terug van sporten. We probeerden onze ogen nog te deppen, maar voor we het wisten stond hij al in de woonkamer, zag hij onze bejankte wangen en ging ook hij los. Net als de een even ophield met huilen, werd hij wel weer aangestoken door de ander en begon het weer van voor af aan. We jankten om onszelf, om elkaar, we jankten omdat we mensen van wie we hielden zagen janken, die op hun beurt het daarom weer niet droog konden houden. Slijm droop in onze monden, onze ogen waren fonteinen.

„Hey,” zei mijn zus tussen twee uithalen door, „kijk pap, we zijn nu net een perpetuum mobile van verdriet, we blijven elkaar aanzwengelen!” Mijn vader ging zo mogelijk nog harder huilen.

„Dat kan helemaal niet,” blèrde hij, „dat kan niet, zoiets bestaat alleen in je hoofd”, en begroef zijn gezicht weer in zijn handen.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.