De Nederlandse hockeybroers die voor Brazilië spelen in Rio

Hockey

Broers Yuri en Patrick van der Heijden spelen in het Braziliaanse hockeyteam. „Veel aanvallen, het moet mooi zijn.”

Foto Rob Schoof

En ineens stond hij naast Rafael Nadal, tijdens het eten, midden in het olympisch dorp. Even op de foto natuurlijk. Yuri van der Heijden in zijn Braziliaanse outfit, de tennisser lachend in zijn Spaanse pak. Hoe groot is de kans op zo’n ontmoeting voor een hockeyer van overgangsklasser Laren?

Af en toe knijpt hij zichzelf nog in de arm. De grote Braziliaanse volleyballers, de basketballers uit de NBA, Djokovic, hockeylegende Jamie Dwyer. Die laatste vindt hij volgende week tegenover zich op het blauwe veld van het Olympic Hockey Center. Brazilië tegen wereldkampioen Australië. „Dit had ik natuurlijk nooit kunnen dromen”, zegt hij op een bankje in het zonovergoten sportersdorp.

Het kan raar lopen. Yuri van der Heijden (26), samen met zijn broer Patrick (23) bij de Samba Boys, de nationale hockeyploeg van Brazilië. Geboren en getogen in Nederland, nu ‘thuis’ in Rio. Hun Braziliaanse paspoort danken ze aan hun moeder. Hun ouders ontmoetten elkaar ooit in São Paulo, waar vader Van der Heijden jaren als landbouwkundige op een bloemenkwekerij werkte. De jongens groeiden op in Apeldoorn, speelden hockey in de sterke jeugd van Amersfoort.

Geen woord Portugees

Maar dit zijn geen jongens die werden gerekruteerd met het oog op Rio, door een thuisploeg op zoek naar buitenlands talent met het juiste paspoort. „Wij waren gek van hockey en omdat we veel in Brazilië kwamen zijn we in 2006 op zoek gegaan naar een club. Ik was zestien en kon een keer meetrainen met een club waar ook een aantal internationals bleek te spelen. Twee jaar later kreeg ik een uitnodiging van de bondscoach om naar Brazilië te komen. In mijn eentje naar Rio, achttien jaar oud, ik sprak geen woord Portugees. Twee keer per dag trainen met 40 graden. Maar de bondscoach was aan het eind van de week zo tevreden dat hij vroeg of ik meeging naar Uruguay voor de Zuid-Amerikaanse kampioenschappen.”

Sindsdien is Yuri van der Heijden een vaste kracht. Twee keer per jaar reisde de student communicatie- en informatiewetenschappen van Nederland naar Brazilië voor de grote toernooien. „Toen Rio de Spelen kreeg was het natuurlijk helemaal mooi. Maar ik durfde niet te hopen dat we ons zouden kwalificeren.”

Het Braziliaanse hockey valt nauwelijks te vergelijken met het Nederlandse, alleen al omdat de Brazilianen geen competitie hebben. „Er wordt alleen gehockeyd in Rio de Janeiro, São Paulo en Florianopolis. Die steden hebben twee clubs die drie weekenden per jaar samenkomen om tegen elkaar te hockeyen.”

Van der Heijden – laatste man in de defensie – schat het niveau in op de Nederlandse overgangsklasse. „Misschien wel iets hoger. In Nederland zijn we heel erg gedisciplineerd. Hier is weinig ervaring, veel frivoliteit. Beetje pielen, veel aanvallen, het moet mooi zijn. Verdedigen vinden ze niet leuk. Heel gaaf als het zo gaat, maar echte patronen zijn er niet. Het is vergelijkbaar met het Braziliaanse voetbal. Maar er is wel talent. Vooral Lucas Paixao, 21 jaar oud pas, die kan zo mee op het hoogste niveau in Nederland.”

Niet voor medaille

Maar de verwachting is niet dat Brazilië potten zal breken op de Spelen in eigen land. Critici zeggen zelfs dat de ploeg niets te zoeken heeft in Rio. Van der Heijden is het daar niet mee eens. „We komen hier niet voor een medaille. Het belangrijkste is dat we de sport promoten. Je moet als sportman nooit zeggen dat je alles gaat verliezen. Misschien kunnen we tegen Spanje gelijkspelen of winnen. Misschien met het publiek als twaalfde man.”

Bekend is de sport niet geworden in Brazilië. De hockeymannen staan dertigste op de wereldranglijst, nog achter landen als Zwitserland, Azerbeidzjan en Oekraïne. „Het blijft een kleine sport, met maar vier kunstgrasvelden, allemaal in Rio. De Spelen kunnen een springplank zijn voor het hockey, maar ik weet niet hoe hoog we gaan springen. Er zijn wel programma’s met scholen, dus ik denk niet dat het na de Spelen instort.”

Genietend van de drukte in het sportersdorp wandelt hij terug naar de flat van de Braziliaanse ploeg. Het blijft wennen. Voor veel Nederlandse sporters is hij een vreemde. „Van de week stond ik in mijn Braziliaanse trainingspak in een lange rij om de was op te halen. Liep ik even naar voren om de foto van mij en Nadal aan een teamgenootje te laten zien. Toen hoorde ik drie Nederlandse volleybalsters in de rij tegen elkaar zeggen: let op, die blijft vooraan in de rij staan. Toen draaide ik me om en zei in het Nederlands: nee hoor, ik sluit gewoon weer achteraan aan. Ze moesten keihard lachen. Ze vinden het een mooi verhaal, van de Braziliaanse Nederlander.”

Binnen de Braziliaanse ploeg weten de sporters dat de Spelen in hun eigen land niet alleen maar reden zijn voor een feestje. Ook Van der Heijden voelde hoe de stemming onder de cariocas is omgeslagen, vooral de laatste maand. „Er is veel weerstand geweest, je ziet protesten bij de Copacabana. De files, de kosten, de achterstallige salarissen, de inwoners zijn de dupe van de Spelen. De hele staat is failliet. Zij hadden liever gezien dat er geld naar het openbaar vervoer en het onderwijs was gegaan, en de sloppenwijken. Ik begrijp de kritiek van de mensen wel. Ik denk dat het de stad op termijn goed zal doen. Maar voor de bewoners gaat het waarschijnlijk niet snel genoeg.”