Ondernemers krijgen pas veel subsidie

Zowel de ‘ophef’ over wiens subsidieaanvraag bij het Fonds Podiumkunsten wel werd gehonoreerd, als onze nationale antisubsidiefetisj tegen de kunsten is irrelevant gezwets, schrijft columnist Zihni Özdil.

©

Wat doet u met 0,0001 procent van uw inkomen? De modale Nederlander kan met die 20 cent een plastic tasje bij de supermarkt kopen. De overheid besteedt sinds de ingrijpende bezuinigingen in 2012 0,0001 procent van haar inkomen aan het Fonds Podiumkunsten, het grootste cultuurfonds van Nederland. Om de vier jaar besluit het Fonds wie geld krijgt. Afgelopen dinsdag was het weer bijltjesdag. Maar liefst 60 procent van de 212 aanvragen is niet gehonoreerd, zelfs niet als er een positief advies was. „Dit overleven we niet”, zei de directeur van muziektheatergezelschap Orkater.

Veel media hadden het vooral over de deerniswekkende relazen van instellingen die buiten de boot vielen. Daarnaast was er ophef over waarom ‘die en die’ dan wel subsidie kregen, en ‘echte kunst’ niet. Vooral de Nijmeegse ‘punkrockband’ De Staat was mikpunt van hoon. De website van De Telegraaf citeerde bijvoorbeeld een tweet van ene schrijver Paul Henriquez: „Ik kan dit niet volgen: 4-mans hardrock punkband De Staat krijgt € 263.000 ‪#subsidie‬ per jaar! 4 jaar lang! Organisatie Noorderslag nul.”

Veel commentaren gingen ook over hoe walgelijk subsidie, en dan helemaal subsidie voor kunst- en cultuur, wel niet zou zijn. Zowel de ‘ophef’ over wiens aanvraag wel werd gehonoreerd als onze nationale antisubsidiefetisj tegen de kunsten is in wezen irrelevant gezwets.

Ik zou bijna willen schrijven: trap er niet in! Want een echt debat over de kneuterigheid van onze overheid ten aanzien van kunst en cultuur lijkt maar niet van de grond te komen. Kunst & cultuur hebben in ons huishoudboekje nooit meer dan een paar spreekwoordelijke plastic tasjes gekost. Zelfs als het ‘iedereen moet inleveren’-argument geldig zou zijn, is de ongekend forse bezuiniging op kunst en cultuur in het afgelopen decennium opmerkelijk.

Wat zit er dan wel achter de urgentie waarmee elk kabinet de afgelopen jaren kunst en cultuur beknotte? Zoals toenmalig minister van OCW Ronald Plasterk het verwoordde in 2007, moet de sector ‘verzakelijken’ en ‘professionaliseren’. Plasterk zal waarschijnlijk zelf niet helemaal door hebben gehad wat de ideologie achter zijn woorden was, maar het komt er op neer dat het nadeel van een ‘onzakelijke’ of ‘onprofessionele’ sector, autonome en (potentieel) kritische kunst is. Ook is ‘onzakelijke’ kunst een ‘slecht’ voorbeeld in algemene zin: in het pad dat onze beleidsmakers hebben uitgestippeld is er geen plaats voor mensen die niet aantoonbaar ‘nuttig’ zijn.

Voor ‘ondernemers’ – uit inherente motieven kunst maken is niet ondernemend natuurlijk – zijn er subsidies zat. Zo dekt de staat via ‘topsectoren’ de kosten van innovatie en onderzoek. Het bedrijfsleven plukt de winsten wanneer een uitvinding verkoopbaar of anderszins toepasbaar blijkt te zijn. Ook de cultuursector moet in deze constellatie dus ‘innovatief’ (lees: nuttig voor het bedrijfsleven) worden.

Teneinde dat te bereiken werd de ‘creatieve industrie’ in 2011 onderdeel van de topsectoren. Dat belastinggeld komt officieel ‘ten goede aan onderzoek naar een betere aansluiting tussen de (wetenschappelijke) kennis van kunstenaars en ontwerpers en het bedrijfsleven’. Kunstenaars die op een autonome manier maatschappijkritische of reflectieve kunst willen maken worden hiermee dus gemarginaliseerd.

Met deze ontwikkeling kunnen we het eens of oneens zijn, maar waarom is het in Nederland zo moeilijk om hierover te debatteren? Ik nodig opinie- en programmamakers in ons land uit om dat nu eens wel te doen. Onder de beste debatten ben ik bereid 20 cent te verdelen.