Octopus achter het drumstel

Interview Tony Allen

De uitvinder van de afrobeat opent met zijn band het vierdaagse Dekmantel Festival in Amsterdam.

Tony Allen: „Als je het lang wilt volhouden, moet je vele paden verkennen.” Foto Bernard Benant

Eind jaren vijftig schuimde hij de nachtclubs van Lagos af en was hij een tijdje dj voordat hij zijn roeping als drummer vond. Samen met Fela Kuti bedacht Tony Allen (76) in het Nigeria van eind jaren zestig een nieuw genre, dat nu weer populair is in Europese clubs: afrobeat. Vanavond treedt de mythische drummer op in Amsterdam, als aftrap van het Dekmantel Festival.

De afgelopen twee jaar heeft hij met producers Moritz von Oswald en Max Loderbauer de wereld rond getoerd. In die opzet was Allen, die met vier ledematen in een ander ritme kan spelen, de menselijke lijm tussen de machines. Schijnbaar moeiteloos aaide hij zachtjes de cymbalen en de hihats en voegde groove toe door net achter de tel te spelen. „Ik ben erg voor cross-overs met elektronische muziek”, zegt Allen, met zijn rode kraalogen onder een zwartleren New York Yankees-pet vanaf de bank in een hotellobby in Rotterdam. „Zeker als drummer is het belangrijk om niet te stagneren. Als je het lang wilt volhouden, moet je vele paden verkennen.”

Allen is een drummer die nooit simpelweg speelt wat hem wordt gevraagd en altijd zijn eigen zwevende polyritmische stijl toevoegt. „Een hiphopbeat”, zegt hij, „is een specifieke beat, maar als ik die gebruik, dan wil ik het op mijn eigen manier doen.” Al in de tijd dat hij met de Nigeriaanse muzikant Fela Kuti speelde, mocht hij als enige bandlid zijn eigen partijen schrijven. Allen was Kuti’s bandleider van 1965 tot 1979. Na een tournee door Amerika in 1969 besloot hij, geïnspireerd door drummers als zijn idool Art Blakey, jazz en funk te mixen met Afrikaanse highlife-ritmes, apala en Nigeriaanse mambo. Allen wilde het drumstel – in de jaren zestig nog zeldzaam in Nigeria – op een jazzmanier leren bespelen, met open hihats en een lichte toets. Zo speelde de octopus achter het drumstel, zijn rug kaarsrecht, schijnbaar moeiteloos dagelijks uren in Afrika Shrine, Fela’s vaste club in Lagos. Africa 70, hun band met danseressen, bracht het publiek in trance met eindeloos lange polyritmische protestliederen, die Fela schreef als wapen tegen de corruptie in het net zelfstandig geworden Nigeria. Ze trokken bekijks van de Beatles, Ginger Baker en Brian Eno, die hem de beste nog levende drummer heeft genoemd.

Uiteindelijk vertrok Allen in 1979. Hij had genoeg van Fela, die chronisch achterliep met betalingen en die hij „een slavendrijver” noemt. De gedeelde auteursrechten die hem waren beloofd bleven uit en dan was er nog een ex-liefje van Allen dat, eenmaal gepromoveerd tot Fela’s vrouw, amok maakte in de band. Allen: „Drie maanden lang huurde hij andere drummers in, tot zijn vrouwen gingen klagen dat ze op die muziek niet meer konden dansen.” Maar Allens besluit stond vast.

Sinds zijn verhuizing naar Parijs, in 1985, heeft hij samengewerkt met uiteenlopende artiesten: van Red Hot Chili Peppers-bassist Flea en Blurs Damon Albarn tot funkmaster Roy Ayers, ambientpionier Brian Eno en discoproducer Cerrone. Hij verwerkte elementen van dub, hiphop en elektronica in zijn visie op afrobeat. Hoe integreert hij al die stijlen? „Ik kijk naar wat er voor me zit en daar reageer ik op. It’s a gift, dat is de kern. Soms pakken mijn muzikanten snel hun telefoon om opnames te maken tijdens de soundcheck, om het me later te helpen herinneren. Maar ik zeg ze altijd: geen zorgen. Morgen klinkt het toch weer anders.”

Voor Allen met iemand samenspeelt, luistert hij naar eigen zeggen niet naar diens muziek; hij oefent vrijwel nooit. „Ik woon in een flat, daar kan ik geen drumstel neerzetten, dan gaan de buren klagen. Oefenen doe ik hier”, zegt hij, terwijl hij naar zijn hoofd wijst. „Ik denk van tevoren na wat het patroon moet zijn.”

Voodooritmes

Afgelopen jaar nodigde het Franse instituut op Haïti hem nog uit om samen te werken met tien lokale drummers, met wie hij een album uitbracht als het Afro-Haitian Experimental Orchestra. „Voodooritmes, daar ben ik mee opgegroeid, dus die kon ik makkelijk integreren. De voodoodrums uit Haïti zijn heel sterk, ik moest ze dus een beetje kalmeren. De drummers waren alle tien solisten. Haal je ego weg, heb ik toen gezegd. Geen twee mensen mogen dezelfde partij spelen. Het moet klinken als een orkest, dan krijgt het betekenis.”

Hij houdt ervan om zijn afrobeat te moderniseren en gelooft niet dat afrobeat politiek geladen hoeft te zijn. „Ik wil niet alleen maar spelen zoals in de tijd met Fela.” Eerder maakten technoproducers Ricardo Villalobos en Max Loderbauer een remix van zijn nummer ‘African Man’ die hij „prima” vindt. Hij luistert thuis niet naar elektronische muziek, maar hoort weleens wat op de festivals. „Soms vind ik het geslaagd, soms is het herrie. Het gaat om de kleine verschuivingen, de kleurtjes.”

Onlangs nam hij een nieuw album op met Brian Eno. „Brian is een genie, net als Moritz. Ik vind het geweldig om met hem te spelen. Het haalt me uit mijn eigen hokje. Toen ik mijn eigen stijl ging ontwikkelen, wilde ik al veel eerder elektronica toevoegen, maar Fela liet dat niet toe. Dan leek het alsof ik brak met de lijn die hij had uitgezet. Daarom klinkt Nepa (1984), een van de eerste albums die ik maakte nadat ik was vertrokken, ook zo anders. Toen kon ik pas synthesizers gebruiken. ‘It’s one afrobeat Fela never recorded’, stond er in een recensie. Maar ik wilde vooruit. Ik wil steeds een uitdaging aangaan door bij te dragen aan muziek die ik niet eerder heb gehoord. Ik ben overal voor in. Ik speel geen afrobeat, ik maak muziek.”