Het einde van de globalisering

Democratie

De euro zonder buffer, ‘Schengen’ zonder grenswacht, het was vragen om ellende. Politici keken de andere kant op en betalen nu de prijs.

Mini-Europe, een geïdealiseerd Europa-op-schaal in Brussel. Een van de attracties is Spirit of Europe: ‘Ontdek de Europese Unie, haar leden, haar verleden, de uitbreiding, haar verwezenlijkingen.’ Foto Boaz Timmermans

In een Parijs’ vergaderzaaltje schetste een van de grondleggers van de euro, de Italiaan Tommaso Padoa Schioppa, het probleem van Europa. „Een bootje in het midden van een rivier. Op de ene oever is alles nationaal. Op de andere zijn veel dingen Europees geregeld. Halverwege steekt een storm op. Dat is de crisis. Opvarenden raken in paniek. Iedereen wil vaste grond onder de voeten. De ene helft zegt: snel, doorvaren! De andere roept: terug!”

Schioppa vertelde dit in 2009. Zeven jaar zijn de Europeanen sindsdien van crisis naar crisis gegaan, het bootje dobbert nog rond. Het gevecht over doorvaren of terugvaren wordt venijniger. De laatste tijd lijkt het of de terugvaarders het pleit aan het winnen zijn. Is dit een tipping point? Zo’n moment in de geschiedenis waarop alles ineens anders wordt?

De Britten kozen voor Brexit. Het rationele argument dat een Europees land in zijn eentje geen hoofdrolspeler kan zijn in de globalisering, legde het af tegen romantische pleidooien over soevereiniteit en het primaat van de natiestaat. Uit andere lidstaten klonken luide echo’s. Marine Le Pen, Geert Wilders en andere rechtspopulisten wier partijen volgens polls de grootste zijn in hun land, willen óók zo’n referendum. Polen en Hongarije willen de EU omvormen tot een ‘los verbond van staten’. Internationale handelsverdragen, waar nooit een haan naar kraaide, zijn zo impopulair dat regeringen, de opdrachtgevers van die verdragen, ze niet meer durven verdedigen. Volgens Rutte moet Brussel dringend „dingen beter maken en dan bedoel ik niet de neiging die je ziet bij sommige Europa-believers om elkaar nog steviger vast te pakken”.

Op zo’n moment is het verleidelijk te zeggen: de Europese Unie werkt niet, het volk vindt dit een ondemocratisch, neoliberaal project. Dus weg ermee. Maar verderop dobbert nóg een bootje. Vol Amerikanen. Of Zwitsers. Daar hoor je hetzelfde discours: tegen handelsverdragen, globalisering, buitenlanders, elite. Het probleem is breder dan de EU. Dat Europeanen zonder EU dit soort discussies niet zouden voeren, is een illusie.

Charismatische populist

De VS en Europa begonnen in de jaren tachtig, onder Thatcher en Reagan, met globaliseren. Steeds meer Amerikanen zien er geen heil in. Ze zeggen dat alleen grote bedrijven en de elite profiteren, sociale ongelijkheid groeit. Miljoenen Amerikanen veroordelen, net als Europeanen, multilateralisme en leggen hun lot in handen van een charismatische populist die het land great wil maken, en honderd procent soeverein.

Het is niet uit te sluiten dat Trump president wordt. De Amerikaanse oud-minister van Financiën Lawrence Summers, een van de aanjagers van deregulering en liberalisering van mondiale markten, bepleitte in de Financial Times een U-bocht. Burgers zijn kwaad en ze worden nog kwader als het land de koers niet wijzigt. „Wat wij nodig hebben, is verantwoord nationalisme.”

Relevante vraag voor Summers en zijn Europese collega’s is waarom zij, tussen de val van de Muur (1989) en die van Lehman Brothers (2008), niet beter hebben nagedacht over de effecten van globalisering op de democratie. Was er dan niemand die waarschuwde dat je door markten meer macht te geven burgers macht afpakt? Het antwoord van de oud-ministers is, interessant genoeg, ‘Nee’. Ze stapten op de boot en dachten onderweg de zeilen te kunnen naaien. Aan zo veel storm dacht niemand.

Dertig jaar geleden maakte het voor Nederland veel uit of de PvdA of de VVD verkiezingen won. Links en rechts hadden verschillende sociaal-economische programma’s, waarachter verschillende wereldbeelden schuilgingen. Door te stemmen beïnvloedden burgers de koers van het land nog echt. In huiskamers en cafés woedden debatten. Zulk debat is door de globalisering weggevaagd. Het verschil tussen links en rechts is verdampt. Hun programma’s zijn bijna identiek. Er is één wereldbeeld. De Britse premier Tony Blair privatiseerde niet minder hard dan Thatcher. In Oostenrijk regeren links en rechts al zo lang dat niemand het verschil meer ziet. Jean-Claude Juncker, Europees conservatief, zei eens tegen Jeroen Dijsselbloem (PvdA): „Ik ben de echte socialist!”

Hoe dat komt, legt de Duitse socioloog Wolfgang Streeck uit in Gekaufte Zeit. De Amerikanen globaliseerden uit overtuiging, schrijft hij, maar de Europeanen deden vooral mee omdat het „een wijze was hun verzorgingsstaten overeind te houden”. Die werden te duur, maar politici die de oorlog hadden meegemaakt, durfden er niet in te hakken. Zonder sociale vangnetten en pensioenen zouden conflicten terugkeren. Dat wilde deze „getraumatiseerde generatie” absoluut voorkomen. Goedkope kredieten boden een uitweg. Overheden, en later burgers, hielden de verzorgingsstaat in leven met geleend geld. Zo begonnen ze langzaam de zeepbel te blazen die in 2008 spatte.

Burgers voelen zich machteloos

Maar ze bliezen nog een bel: terwijl ze nationaal beleid internationaal maakten, vergaten ze hetzelfde te doen met de democratie. Wall Street heeft meer invloed op het pensioenstelsel in Polen dan Poolse kiezers zelf: als die fondsen er niets in zien, trekken ze zich terug. Syriza won de Griekse verkiezingen, maar de trojka – Europese Commissie, IMF en Europese Centrale Bank – beslist nog steeds over het Griekse financiële beleid. Dat frustreert kiezers mateloos: zij hebben een vote, geen voice. Burgers hebben het gevoel dat iemand ze de macht heeft afgenomen. Regeringsleiders hadden dit onderweg naar die andere oever moeten regelen.

Zo blijft het bootje dobberen. Nationale debatten, waar de economie ‘uit getild’ is, gaan over integratie, fat foods, homohuwelijk: thema’s die draaien om identiteit, religie en waarden. Ze lenen zich slecht voor compromissen, des te beter voor scheldpartijen. Zo polariseert de politiek. Experts worden platgescholden op social media. Presidentskandidaten in Oostenrijk worden gecast als ‘communist’ of ‘fascist’. Gematigde kandidaten hangen in de touwen. „Al mijn studenten”, zei een hoogleraar op Princeton laatst op een privé-etentje, „waren voor Bernie Sanders!” Een Franse vakbondsman constateert: „Mijn achterban stemt op Le Pen.”

De politiek is, kortom, het noorden kwijt. Vroeger koos je links of rechts, nu een ‘open’ of ‘gesloten’ maatschappij. De echte vraag is: doorvaren naar de Europese oever of terugvaren naar de nationale? Geen regering wil terug. Sommigen zijn bang dat er weer oorlog komt zonder EU. Anderen vrezen economische en politieke instabiliteit, als jaloerse natiestaten elkaar weer als vanouds hakken gaan zetten. Kleintjes zijn bang dat de groten hen weer vertrappelen.

Sommige landen kunnen uiteenspatten. Maar overal beseffen politieke leiders hoe aantrekkelijk dat arcadische beeld van slagbomen aan de grens en soevereine besluiten is. En dus durven ook zij niet openlijk te pleiten voor doorvaren. Liefst modderen ze door, en vermijden ze inhoudelijke discussies. Geen van hen legt uit dat globalisering zonder EU nog erger kan zijn. Of dat euro, banken en ‘Schengen’ juist zo veel schade opliepen, omdat die projecten niet af waren. Schengen zonder gezamenlijke grenswacht, pan-Europese banken met alleen nationaal toezicht, één munt zonder noodfonds – het was vragen om ellende. Daarom was Europa, mid-stream, zo kwetsbaar.

Doorvaren zou helpen. Maar regeringsleiders willen de volgende verkiezingen winnen. Dus stellen ze een pauze voor: geen nieuwe projecten. Het is een beetje wat Summers voorstelde: ‘gematigd nationalisme’. Of zoals Hillary Clinton, die in ruil voor Bernies steun pleit voor een keihard ‘no to bad trade deals’ – waarbij ze het handelsverdrag TPP, waar ze vroeger vóór was, een dolkstoot gaf.

Bundelen van besluitvorming

Kan dat goed gaan? Sommigen zeggen: Europa moet zich concentreren op twee, drie aspecten – veiligheid, interne markt – en de rest vergeten. Die onderdelen moeten heel Europees worden georganiseerd: geen veto’s, geen constant gekibbel. Zo kun je de boel min of meer bijeenhouden. Anderen zijn zwartgalliger. Ze zeggen: als je wilt dat burgers in Europa geloven moet je ze juist méér politiek perspectief geven, niet minder. In Le Monde vergeleek Jacques Attali, oud-adviseur van president Mitterrand, stilstand met achteruitgang. Tweemaal eerder, zei hij, omarmde Europa globalisering. Tweemaal mislukte het omdat landen weigerden hun besluitvorming te bundelen, in 1780 en 1910. „We zitten weer op zo’n moment. We hebben alles om een democratische, gezonde globalisering te bouwen. Juist nu doet elk land weer zijn eigen, nationale ding.” Europa moet doorvaren en niet naar de populisten luisteren, vindt hij – anders maken Poetin, jihadi’s en woekerfondsen het kapot. „Als we blijven stilstaan, voorspel ik een Derde Wereldoorlog. Ergens tussen 2025 en 2030.”