Een kogelstoter met een sierlijk vingertje

Denis Matsuev tijdens de Olympische Winterspelen in Sotsji, 2014. Foto Reuters

Denis Matsuev, is dat niet die Russische kogelstoter die niet naar Rio mag? Je zou het haast zeggen wanneer je hem ziet lopen, bijna uit de voegen van zijn maatpak barstend. Matsuev is een beer van een vent, onder wiens handen de Steinway iets weg heeft van een object dat moet worden opgetild en weggeslingerd. Tot hij de toetsen raakt althans. Want Matsuev is toch echt een pianist, en een die zijn plek heeft veroverd op de lange lijst giganten die Rusland heeft voortgebracht.

Is hij een echte gigant? Dat moet nog blijken, ook na een nieuwe cd en dvd. Sinds zijn winst in het Tsjaikovski Concours in 1998, een prestigieuze wedstrijd voor klassieke muziek, is Matsuev in ieder geval een fenomeen, maar van het type waarop soms het etiket ‘virtuoos’ in negatieve zin geplakt wordt. Oktober vorig jaar gaf de klavieratleet in de Amsterdamse serie Meesterpianisten een recital dat nu is uitgebracht op dvd, en ook zonder de adrenaline van de concertzaal maakt Matsuev grote indruk. Zijn techniek is adembenemend en steeds functioneel, zijn greep op het materiaal uit zich in mooi gedoseerde interpretaties.

Twee dagen vóór zijn Amsterdamse recital trad Matsuev in München op met Mariss Jansons en het Bayerische Rundfunk-orkest, en toevallig is ook dat concert nu op cd verschenen. Rhapsody bevat topuitvoeringen van vijf rapsodieën, met Matsuev als solist in George Gershwins ‘Rhapsody in Blue’: technisch onberispelijk, levendig, maar ook wat over the top en – is dit echt Gershwin?

Nee, dan het recital in het Concertgebouw. Dat begint meteen met een hoogtepunt, al behoren Tsjaikovski’s ‘Seizoenen’, op bestelling gecomponeerd, niet tot diens beste muziek. Toch blijken deze twaalf maanden van het jaar, die je hier zelden integraal hoort, verrukkelijke, rijkgeschakeerde miniaturen als Matsuev ze laat opbloeien met groot vernuft voor tempo en dynamiek.

De visuele component is een plus. Matsuev is meer een fronser dan een overdreven bekkentrekker, maar zijn verschijning is steeds fascinerend: het imposante postuur, de frisse, gladgeschoren bankiersuitstraling, die behaarde, bepaald niet slanke handen die tot zoveel kracht én verfijning in staat zijn. Tijdens ‘September’ zie je hoe Matsuev zijn lachen amper kan bedwingen – een prachtig beeld van spelplezier. Nog zo’n detail: de laatste vinger die aan het eind van ‘November’ in close-up als een veertje losspringt van de toets.

Robert Schumanns ‘Kreisleriana’ vraagt vervolgens om meer vertoon van virtuositeit en punctuele ritmiek, en dat hoef je Matsuev maar één keer te zeggen. Hij blijft een spierbundel die soms zijn eigen kracht niet kent. Maar de ingetogen lyriek krijgt hier evenveel aandacht als het vuurwerk en juist die goede balans tilt de uitvoering op. Als een pseudo-Keith Jarrett eindigt Matsuev (verklaard fan van jazzicoon Oscar Peterson) zijn reeks toegiften met een jazzy improvisatie, die stilistisch alle kanten opschiet; van lef getuigt het in elk geval wel.