Als globalisering de burger voorbij holt, gaat het wringen

Economie

De wijsheid dat vrijhandel goed is voor iedereen, is aan het wankelen.

Inkomensontwikkeling: de ‘Olifant’

‘De inwoner van Londen kon, terwijl hij ’s ochtends zijn thee dronk in bed, per telefoon producten van over de hele wereld bestellen in hoeveelheden naar keuze, en verwachten dat zij vroegtijdig bij zijn deur werden afgeleverd.” Dit is geen scène uit 2016, maar 1914, het laatste jubeljaar van de vorige globaliseringsgolf, tot twee wereldoorlogen en een groeiend nationalisme er een eind aan maakten. De Britse econoom John Maynard Keynes beschrijft het in The Economic Consequences of the Peace (1919).

Pas in de jaren negentig was de wereldeconomie weer zo vrijgemaakt als vlak voor de ‘kanonnen van augustus’ losbarstten. En daarna, tijdens de overwinningsroes van het kapitalisme na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, ging het extra hard. Deregulering, privatisering en liberalisering zetten de toon. En globalisering greep om zich heen. Productieketens werden transnationaler, waardoor de hele wereld een geïntegreerde fabriek leek.

China voegde in een schok 1,4 miljard consumenten én werknemers toe aan de wereldeconomie; twintig jaar geleden was de Chinese economie nauwelijks twee keer de Nederlandse. Nu steekt China de Verenigde Staten naar de kroon.

Zijn we nu weer aan het einde van een globaliseringscyclus? De oprukkende internationale vrije markt stuit op groeiende nationale tegenstand, en de wijsheid van de handelstheorie wordt in twijfel getrokken. En naarmate de gelijkheid tussen landen toeneemt, loopt de ongelijkheid binnen landen op. Mensen storen zich aan de stijgende topsalarissen en bonussen van de ‘1 procent’ en signaleren een afnemende sociale mobiliteit.

Zij zagen dat de financiële sector, na een bacchanaal van speculatie, na de crisis van 2008 gered moest worden op kosten van de samenleving. Diezelfde sector had mogelijk gemaakt dat de middenklasse met stijgende kredieten nog een tijd kon doen alsof haar welvaart steeg, terwijl de grond al onder haar voeten wegzakte.

Vrijhandel veroorzaakt altijd winnaars en verliezers. De verliezers zijn zichtbaar: sluitende fabrieken en rijen werklozen. De winnaars zijn de nieuwe ondernemingen die stilaan bloeien en de werknemers die zij in dienst nemen – meer dan er verloren gingen. Daarom, was het axioma, heeft globalisering de schijn tegen, terwijl ze in feite goed is voor iedereen.

Maar of dit nog zo is? Begin dit jaar kwam de Amerikaanse economendenktank National Bureau of Economic Research met de conclusie dat met name de opkomst van China zich zo snel heeft voltrokken, dat de Amerikaanse werknemers de tijd en kans niet kregen zich aan te passen. Vrijhandel werkte per saldo negatief uit – een standpunt dat ‘populisten’ al langer hadden, maar dat nooit serieus genomen was.

Branko Milanovic, een Servisch-Amerikaanse econoom, heeft dit samengevat in een grafiek die inmiddels al zo beroemd is dat hij ‘de Olifant’ als bijnaam heeft. De grafiek laat zien dat met name de middeninkomens in het Westen de verliezers zijn van de globalisering. Geen wonder dat zij in opstand komen.

Dat hun verzet eerder maatschappelijk dan economisch getint is, wordt onderstreept door een theorie die ook al even meegaat, maar nu snel en vogue raakt. De Turks-Amerikaanse Harvard-hoogleraar politieke economie Dani Rodrik zette al in 2007 uiteen dat de moderne internationale economie landen dwingt tot een keuze: er is deelname aan de globalisering, er is nationale soevereiniteit en er is democratie. Van deze drie kan een land er twee tegelijk hebben.

Bij een blijvende deelname aan een steeds diepere economische integratie moeten tussen natiestaten steeds vergaander gemeenschappelijke regels en standaarden worden afgesproken op regeringsniveau, waarin de eigen bevolking zich niet gekend voelt. Óf de nationale soevereiniteit gaat eraan als de democratische zeggenschap er wél blijft, maar naar een hoger niveau wordt getild in een supranationale federatie.

Ziehier het EU-dilemma van veel landen en dat van vergaande handelsverdragen als TTIP. Wie zowel zijn nationale soevereiniteit als nationale democratie wil behouden, zal zich uit de economische integratie moeten terugtrekken. Brexit is de consequentie van dit dilemma.

Er zijn genoeg kanttekeningen bij Rodriks ‘globaliseringstrilemma’, maar het weerhoudt hem er niet van nu zijn gelijk te claimen. De Amerikaanse econoom en oud-minister van Financiën Larry Summers stelde vorige maand een ‘verantwoord nationalisme’ voor, als een soort adempauze, omdat de globalisering de burger voorbij is gehold. De vraag wordt nu of dit verantwoorde nationalisme een contradictio in terminis blijkt, of niet.