Laat die voetbalquotes toch zitten

Opinie De voetbaljournalist van nu moet het niet hebben van verbroedering met zijn helden, maar van standvastig vertrouwen in zijn eigen observaties, meent Auke Kok.

Technisch manager John Metgod, hoofdtrainer Henk Fraser en algemeen directeur Jan Willem Wigt van ADO Den Haag tijdens een persconferentie in het Kyocera Stadion. Foto ANP / Lex van Lieshout

Niet Maarten de Vos, maar Nico Scheepmaker moet het voorbeeld zijn. De jacht op onthullende uitspraken van sporters is verworden tot ‘quotejes halen’. Laat de sportjournalisten afstand nemen tot hun helden en hun eigen verhaal gaan vertellen. Als ik het NRC-artikel (Het einde van onafhankelijke voetbaljournalistiek, 2/8) mag geloven, staat de vaderlandse sportpers zo ongeveer aan de rand van de afgrond. De vroeger zo deftige verslaggever is verworden tot een speelbal op de golven van het grote geld. Met behulp van een dikke portemonnee en technische middelen verzorgen voetbalclubs hun eigen nieuws. De reporter, steeds vaker een freelancer zonder de ruggensteun van een redactie, is onzeker en wordt links en rechts ingehaald door social media en door deals over uitzendrechten die hem ver boven de pet gaan.

De omstandigheden om zelfstandig aan sportnieuws te komen zijn inderdaad lastiger geworden. De trends zoals beschreven zijn herkenbaar. Maar de schuld voor de vaak plichtmatige en humorloze verslaggeving kan de sportjournalistiek voor een deel bij zichzelf zoeken. Reporters roepen het onheil over zichzelf af, om maar een sportcliché te gebruiken. Te vaak stellen zij zich op als ‘starkissers’: de in het stuk aangehaalde oud-voetballer en commentator Hans Kraay gebruikte die term ooit voor sportverslaggevers die slaafs achter hun helden aanlopen om zodoende nieuws te oogsten. Ze zijn een doodlopende weg ingegaan.

De methode waarmee de legendarische verslaggever Maarten de Vos ooit goede sier maakte, is weggezakt tot het lamlendige ‘quotejes halen’. Zo noemen reporters hun gang naar de mixed zone in de stadions, waar zij voetballers ontmoeten die daar met nog meer tegenzin naartoe slenteren. De verslaggever moet erheen omdat het publiek niet zonder citaten kan; de sporters hebben ‘mediaverplichtingen’. De Vos dook begin jaren zeventig de kleedkamers in; nu is een journalist die wil horen wat er door een sporter heenging onderdeel van een vast stramien: geregisseerde ‘persmomenten’ waar de trainer het nog eens uitlegt. Na zijn winnende goal liegt de spits dat het niet uitmaakt wie er scoort, zolang zijn ploeg maar wint. De reporter kent de leugen en geeft die door als een waarheid.

Vijf keer per dag dezelfde vragen beantwoorden…

Uit dit cynisme kan niets moois voortkomen. Als de clubs zo graag de nieuwsvoorziening van a tot z willen controleren in hun verlangen naar positieve berichtgeving, laat de verslaggevers eens een jaar lang afzien van interviews. Eens kijken wat er gebeurt. Voor de voetballers maakt het allemaal toch weinig uit — een microfoon is voor hem de zoveelste microfoon. Toen ik een jaar lang de Ajaxselectie volgde voor een blik achter de schermen (Tussen Godenzonen, 2013), verbaasde ik me over de gekmakende hoeveelheid interviewtjes die profvoetballers moeten geven. Kranten, sites, Ajax TV, supportersclubs, sponsoravonden: overal vragen, vragen, vragen. Als gevolg van de vertiendubbelde belangstelling zouden zulke voetballers vijf keer per dag dezelfde vragen moeten beantwoorden als de club het niet een beetje kanaliseerde. Met als gevolg dat de sporters een knop omzetten en met een uitgestreken smoel wat doorsnee-uitlatingen doen om er vanaf te zijn. Hij weet dat een pikante uitspraak over de trainer of een medespeler in het digitale maandenlang blijft rondzingen. Zijn oppervlakkigheid is zijn comfort.

Gevolg van de groeiende hoeveelheid media in de stadions is ook dat de clubs aan de touwtjes trekken: voor jou tien anderen. Volgzaamheid en bange clichés liggen dan op de loer en daarom doen jonge verslaggevers er goed aan niet Maarten de Vos als voorbeeld te nemen, maar Nico Scheepmaker (1930-1990). Die moest het niet hebben van de kleedkamer, maar van eigenzinnigheid; niet van verbroedering met zijn helden maar van een standvastig vertrouwen in zijn eigen observaties. Rinus Michels kon zeggen wat hij wilde, de ogen van Scheepmaker hadden misschien wel iets heel anders geregistreerd en daar ging het om.

Tegenwoordig is menig verslag opgebouwd rond de uitlatingen van de trainer, terwijl diens waarneming de meest gekleurde is. Nederland staat hierin niet alleen, het is universeel. Ook in de bakermat van voetbal en sports writing, Engeland, is deze teneur zichtbaar. Autonome sportjournalisten van het kaliber Brian Glanville, met lak aan voetbalautoriteiten, vind je er steeds minder. Toch zal het weer die kant op moeten. Laat de clubs hun eigen quotejes maar halen bij hun spelers en ze op hun sites plaatsen; de sporters zien het verschil toch al niet. Laat reporters hun eigen onderwerpen bedenken en uitspitten. Iedere wedstrijd is een verhaal dat met eigen bronnen kan worden verteld, met eigen invalshoeken en analyses van diepgang en humor kan worden voorzien. Als de financiële belangen ergens groot zijn, is het wel in de door tv-miljarden opgepompte voetbalcompetitie in Engeland. Toch maakt analist Alan Shearer in het geweldige BBC-programma Match of the Day regelmatig gehakt van ‘zijn’ Newcastle United, de club waar hij speelde, in de stad waar hij nog steeds woont. „Je maakt wel eens mensen boos”, zei hij daarover, „maar het is wat het is. Je moet je mening geven. Je kunt niet tegen iedereen de hele tijd aardig zijn.”

Zo is het precies. Afstand nemen, onafhankelijk blijven en maling hebben aan iedereen: veel ingewikkelder hoeft het niet te zijn.

Auke Kok is journalist en sportschrijver. Hij won de eerste Nico Scheepmaker Beker met 1974, Wij waren de besten.