Koenders’ oproep voor hulp burgers Aleppo is voorlopig vrijblijvend

Het was een onmiskenbare noodkreet van minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) eerder deze week. De belegerde Syrische plaats Aleppo dreigt de nieuwe schandvlek van de internationale gemeenschap te worden, schreef hij in een artikel in de Britse krant The Independent. Net als Rwanda en Srebrenica kan Aleppo synoniem worden voor het falen van de wereld om handelend op te treden, aldus de beladen waarschuwing van Koenders.

©

Hij heeft gelijk in zijn beschrijving van de hopeloze situatie waarin de 300.000 burgers van Aleppo verkeren. Maar tegelijk spreekt er een flinke dosis krachteloosheid uit zijn oproep, die daarmee vrijblijvend wordt. Want maakt Koenders geen deel uit van diezelfde wereldgemeenschap en is het falen ervan niet ook zijn eigen falen? Zeker, Nederland kan slechts een zeer bescheiden rol spelen. Maar juist daarom moet ook voorzichtig worden omgegaan met grote woorden die zonder daden al gauw het karakter kunnen krijgen van het sussen van het eigen geweten.

Het ‘we-moeten-iets-doen’-gevoel is sterk verankerd in de Nederlandse buitenlandse politiek. Dat bleek ruim twintig jaar geleden al tijdens de Joegoslavië-crisis die uiteindelijk leidde tot het door Koenders zelf aangehaalde Srebrenica-drama. De les uit die episode is dat de morele component gemakkelijk kan leiden tot blindheid en doofheid. Met toen als gevolg dat een bataljon Nederlandse blauwhelmen ondanks herhaalde waarschuwingen met onvoldoende uitrusting en een onvoldoende mandaat in de Bosnische enclave aan een onmogelijke taak bezig was.

Koenders heeft het grootste gelijk wanneer hij stelt dat humanitaire corridors naar het belegerde Aleppo moeten worden geopend. Deze intentie strookt met VN-afspraken. Maar om niet in mooie woorden te blijven steken is de vraag of de toegang in het uiterste geval ook bijvoorbeeld militair kan worden afgedwongen. En dat is een stap die de verdeelde internationale gemeenschap niet wil zetten.

De realiteit is dat het Syrische regeringsleger van president Assad met hulp van de Russen al geruime tijd bezig is met gebied te heroveren. Van die zijde is er dus weinig belang deze opmars te laten ‘verstoren’ door humanitaire acties. En dat Assad weinig op heeft met zijn eigen bevolking laat hij dagelijks blijken. Tussen de noodzaak om hulp te bieden en de mogelijkheid daartoe gaapt een diepe kloof. Het is een defaitistische constatering die al te vaak opgaat voor oorlogsgebieden, maar het zou bij politici tot bescheidenheid moeten leiden alvorens zij oproepen tot daadkracht.

„We prediken de moral high ground, maar nemen geen verantwoordelijkheid”, constateerde vertrekkend Syrië-gezant van Nederland Nikolaos van Dam het afgelopen weekeinde in een vraaggesprek met deze krant. Zelden zal hij zijn gelijk zo snel bevestigd hebben gezien.