De AD-columnist: ‘In elk zinnetje ziet Feyenoord een complot’

Interview AD-columnist Sjoerd Mossou vindt dat voetbalclubs te krampachtig zijn in hun persbeleid. Ze zouden wat losser moeten omgaan met de kritische pers.

“Sorry, maar ik heb besloten om Feyenoord te boycotten.” Een week nadat het conflict tussen Feyenoord en VI’s Martijn Krabbendam naar buiten is gekomen (begin augustus 2015), schrijft Sjoerd Mossou een opmerkelijke column in het AD. Mossou stelt schertsend dat hij heeft besloten dat Feyenoord hem niet meer te woord mag staan. Een reactie met een knipoog op de affaire-Krabbendam.

“Daar heb ik veel reacties op gehad”, zegt Mossou een paar weken later op het terras van het Wester Paviljoen in Rotterdam. “Twintig procent begrijpt de grap niet. Het is ironie. Typisch voor het voetbal, die emotionele lading. Dat maakt de sport en het schrijven erover ook leuk. Maar je moet wel kunnen relativeren.”

In de voetbaljournalistiek, vertelt Mossou, kan je de volgende ochtend uit je bed worden gebeld door een kwade trainer. ‘Wat heb je nou geschreven?!’ ,,Ik volgde een tijdje Ajax. Belde Henk ten Cate geregeld op. Kwaad over iets in de krant. Dat zal je in bijvoorbeeld de muziekjournalistiek stukken minder hebben. Na een negatief stuk over Green Day hangen de volgende dag niet de leden van de band aan de lijn.”

Schoolplein

“Het Nederlandse voetbal is een schoolplein. Het speelt zich af binnen een heel kleine groep eigenlijk. Pakweg twintig clubs, twintig spelers per club, managers, directie. Maximaal vijfhonderd mensen. En daar zit iedereen op te kijken. Met het vergrootglas, met de camera. Hevig geëmotioneerd bovendien.

“Dat maakt die wereld ook grappig en charmant. Alles heeft, hoe onbelangrijk ook, impact. Lang niet iedereen in de Nederlandse voetbalwereld beseft hoe publiek hun wereld is. Heel weinig mensen in het voetbal doorzien dat, of beseffen wat dat vraagt in je communicatie. Dat publieke karakter betekent ook dat je verantwoording moet afleggen over de dingen die je doet.”

Kramp

“Clubs moeten zorgen dat ze niet worden overvallen door simpel nieuws. Of door een affairetje. Nu schieten ze in een kramp bij kritiek. Puur persoonlijk snap ik dat nog wel; er is haast geen vakgebied waar de media-impact groter is, bij haast alles wat je doet of zegt. Maar dat maakt het zo cruciaal dat je met kritiek kunt omgaan. Heel vaak speelt ook het gebrek aan ervaring. De spelers die al jaren meelopen, de grote jongens, kunnen omgaan met alle kritiek, aandacht en publiciteit. Dat moet je leren.”

“Je moet ook niet te lang blijven hangen in conflicten. De grote namen in het Nederlandse voetbal kunnen dat. Neem Leo Beenhakker. Met hem kon je geweldig ruzie hebben, maar dan was hij dat de volgende dag vergeten. Met Louis van Gaal heb ik ook aanvaringen gehad, maar die begrijpt ook wel hoe de voetbalwereld in elkaar zit.”

“Spelers als Wesley Sneijder en Rafael van der Vaart weten dat ook. Zij zijn opgegroeid in een tijd dat het voetbal steeds groter werd. Die jongens liggen al lang niet meer wakker van een berichtje op internet.”

Achterdocht

Clubs zijn achterdochtig, zegt Mossou. Feyenoord bijvoorbeeld. “De leiding van de club schiet heel snel in een verkrampte houding. Ze zijn boos om alles wat we schrijven: over de Kuip, over het technisch beleid, transfers van spelers. In elk zinnetje zien ze een complot. Tot en met de beoordeling, de rapportcijfers aan spelers. Dan zit je in de top van een van de grootste clubs van Nederland. En dan word je boos om een paar zinnetjes in de krant.”

“Dat het AD als een Rotterdamse krant wordt gezien, speelt daarbij zeker een rol. Feyenoord vindt dat het AD zich als een soort bondgenoot zou moeten gedragen, terwijl wij ons onafhankelijk, journalistiek opstellen. Goed is goed, slecht is slecht. Dat leidt tot strijd en spanningen, maar dat moet dan maar.”

“Steeds weer die achterdocht ten opzichte van de media. Dat kun je helemaal niet gebruiken. Als ik het persbeleid van een topclub zou moeten doen zou ik de media serieus nemen. Zij zijn belangrijk, want zij zorgen voor de band met het publiek, hebben invloed op je imago. En over alles wat je niet in eigen hand hebt: laat gáán. Denk goed na over je communicatie, zeker, maar besef steeds dat je ook gewoon onderdeel bent van het circus.”

Verschillen tussen clubs

“De clubs hebben veel moeite met die openheid. PSV, in de huidige situatie, is een positieve uitzondering. Dankzij directeur Toon Gerbrands en perschef Thijs Slegers. Ajax heeft goed gekeken naar Engeland. Daar gingen de afgelopen jaren overal de poorten dicht. Bij trainingscomplexen kom je er niet meer in. Niemand is beschikbaar. De Britse pers is natuurlijk wel anders dan de Nederlandse, maar het is ook een kip-ei-verhaal.”

,,Manchester United is het meest extreme voorbeeld. Zij brengen alles via het eigen kanaal. Bij Ajax heeft Miel Brinkhuis het persbeleid op Engelse leest geschoeid. In de tijd van Ronald Koeman [2001-2005] kon je bij Ajax elke training zien, overal binnenlopen, spelers spreken. Nu moet je een gesprek dagen van te voren aanvragen. En dan heb je twintig minuten op vrijdagmiddag. Het is professioneel geregeld, dat wel, maar volkomen gecontroleerd.”

Mossou heeft een voorbeeld van die controle. “Afgelopen zomer was Ajax op trainingskamp in Oostenrijk. Er gingen vijf journalisten mee. Precies op het moment dat zij aanschuiven voor een gezamenlijk interview met Frank de Boer publiceert de Ajax-website al een uitgebreid gesprek met De Boer.”

Veranderde mores

“De mores in de voetbaljournalistiek is de laatste tien jaar in extreme mate veranderd. Dat ligt ook bij de media zelf. De opkomst van snelle nieuwssites op internet, die alles maar overnemen, zonder te checken. Praatprogramma’s op televisie. Steeds meer bladen en kranten die over voetbal zijn gaan schrijven. Daardoor is het sneller, harder en massaler geworden.”

“Tien jaar geleden kon je een speler opbellen, een stukje tikken en het in de krant zetten. Nu is het bij alle clubs gereguleerd. Volledig. Ze willen altijd een interview teruglezen. Ze onderhandelen altijd over de tekst. Interviews vinden altijd plaats in de perskamer. Onder de tl-balken. Dat kun je bijna geen interview meer noemen.”

“Wie wat langer meeloopt, weet de weg, en is wat beter in staat die protocollen te omzeilen. De ene journalist is ook volgzamer dan de andere. Dat hoort bij het spanningsveld tussen de pers en de clubs, die journalistieke vrijheid is ook broodnodig. Maar het komt heel vaak voor dat de clubs alles wil inzien voor publicatie: de kop, de streamers, de fotobijschriften.”