Je hebt geen zelfhulpboek nodig om cool te blijven

Geluk Een echte stoïcijn heeft geen zelfhulpboeken nodig. Toch zijn er nu twee boeken die helpen om onder alle omstandigheden het hoofd koel te houden.

Illustratie Jip Hilhorstv

Voel je je ongelukkig? Depressief? Ga op een cursus mindfulness. Heb je stress op werk? Neem een coach. De snelheid waarin we iets in ons leven moeten doen, is de afgelopen jaren toegenomen. Fastfood, speeddates, powernaps, bijna alle aspecten van het bestaan hebben een versnelling doorgemaakt. En dat vinden we moeilijk. Dus zoeken we hulp bij een coach of psychotherapeut om rustig te worden.

Volgens Svend Brinkmann (40), hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Aalborg, is dat onzin.

Hij schreef het antizelfhulpboek Standvastig. Onder alle omstandigheden jezelf blijven. In de Deense bestseller, die nu uit is in Nederlandse vertaling, hekelt Brinkmann, die overigens zelf het uiterlijk heeft van een hippe fitnesscoach, de huidige zelfhulpcultuur (denk aan boeken als Nooit meer te druk, De Weg of Be Briljant Every Day) en het succes van de positieve psychologie die mensen aanspoort hun ‘innerlijke stem’ te volgen en ‘uit het leven te halen wat erin zit’.

De druk om jezelf continu te ontwikkelen en creatief te zijn, beschouwt hij als een vloek van deze tijd. Hij waarschuwt dan ook voor de ‘coachificatie van het bestaan’. „De meesten van ons zijn (..) omkoopbaar met alle mogelijke vormen van levenswegbegeleiding, therapie, coaching, mindfulness, positieve psychologie of zelfontwikkeling in het algemeen.”

Het idee dat de ‘waarheid zich in jezelf bevindt’ is volgens hem achterhaald. Misschien dat die gedachte een bevrijdende kracht had in de hippietijd, „maar wat destijds een legitiem verzet tegen het ‘systeem’ was (patriarchaat, kapitalisme) en uitmondde in een draai naar het ego, is vandaag de legitimatiebasis voor precies hetzelfde systeem geworden.” Oftewel: als we nu bezig zijn om ons innerlijke ego te ontwikkelen, is dat omdat we misschien hopen een leukere baan te krijgen, of beter te kunnen presteren in de maatschappij. Met authenticiteit heeft dat weinig te maken.

Een goed punt, alleen: wat moeten we dan wel doen? Als remedie tegen die druk om jezelf alsmaar te ontwikkelen in onze ‘accelerende cultuur’, stelt Brinkmann in zijn boek – dat paradoxaal genoeg toch ook een zelfhulpboek is – voor om te leren ‘stil te staan’. Dat kan door ons het denken van de stoïcijnen (een filosofische stroming uit de derde eeuw voor Christus) eigen te maken. Wil je stevig in je schoenen leren staan, dan moet je zelfbeheersing, gemoedsrust, en plichtsbesef ontwikkelen. Hiervoor geeft Brinkmann een aantal ‘tips’.

Zo raadt hij aan om, in navolging van de stoïcijnen, af en toe iets te doen waar je helemaal geen zin in hebt. Dat hoeven geen dramatische dingen te zijn, je kunt bijvoorbeeld ‘nee’ zeggen tegen een dessert ook al heb je er wel trek in. Of je kunt een keer een dag lang te weinig kleren dragen, zodat je het continu een beetje koud hebt. Of toch door de regen fietsen als je ook de bus kan nemen.

Banaal en nutteloos? Volgens Brinkmann kunnen deze oefeningen helpen kracht op te bouwen om ‘toekomstige beproevingen het hoofd te bieden’. „Als het enige wat we kennen welbehagen is, dan wordt het bijzonder moeilijk om een onbehaaglijke situatie te verdragen zoals we die onvermijdelijk zullen tegenkomen in het leven.” Bovendien kan het beleven van onbehagen in het klein de angst voor toekomstige tegenslagen verminderen. Zo leren we om zelfcontrole te ontwikkelen – voor de stoïcijnen een centrale deugd – en geen slaaf te worden van eigen lichamelijke impulsen. Maar of dat het doel of slechts het middel is, maakt Brinkmann verder niet duidelijk.

Ook stelt Brinkmann – heel onmodern – voor om je te concentreren op de negatieve dingen in het leven. Via ‘negatieve visualisatie’ – het onder ogen zien van het negatieve – kan je namelijk weerbaarder worden. Hij haalt de stoïcijnse filosoof Epictetus (eerste eeuw na Christus) erbij, die zegt dat we moeten nadenken over de sterfelijkheid van ons kind, telkens als we het kussen. Dat klinkt morbide, maar, zegt Brinkmann, „het herinnert ons aan de eindigheid van de mensen op een manier waardoor de band met hen wordt verstevigd en we hun fouten misschien beter kunnen accepteren”. Kortom, door elke dag over de eigen of andermans sterfelijkheid na te denken, leer je het dagelijks leven meer waarderen. Voor het gemak citeert Brinkmann ook nog even de renaissance-filosoof Montaigne (1533-1592) die schreef: ‘Wie geleerd heeft om te sterven, heeft afgeleerd slaaf te zijn.’

Maar leert iemand die dagelijks over de dood nadenkt, inderdaad de betekenis van solidariteit? Wordt hij of zij hierdoor een evenwichtiger mens? Zal hij daardoor meer aan anderen denken en ‘zijn plicht in het leven doen’, zoals Brinkmann graag wil?

Dagelijks denken aan de dood kan ook uitmonden in een dwangneurose: als ik er maar vaak aan denk, gebeurt het niet. Bovendien is het nog maar de vraag of de stoïcijnen zo gecharmeerd zouden zijn van de simplistische uitleg die Brinkmann aan hun opvattingen geeft. En tenslotte: hoort het niet bij het leven om je aan iemand te hechten en dus te lijden als diegene er niet meer is? Wie echt wil leven, komt er niet zonder kleerscheuren vanaf.

Wat dat betreft legt filosoof – en overtuigd stoïcijn – Miriam van Reijen, van wie onlangs Stoïcijnse levenskunst. Evenveel geluk als wijsheid verscheen, de kwestie een stuk genuanceerder uit. Voor de stoïcijnen draaide het vooral om het verkrijgen en behouden van gemoedsrust, aldus Van Reijen. Het zijn de pijnlijke ‘gemoedsaandoeningen’ die de grootste bedreiging vormen voor het geluk en een goed leven.

Als voorbeeld haalt ze de Griekse filosoof Epicurus (341-270 voor Christus) erbij. Geluk ligt volgens Epicurus vooral in de afwezigheid van pijn en onrust en de (levens-)kunst zit hem erin je telkens te beseffen dat je geen pijn of angst hebt. „Op ieder moment zijn er heel veel dingen die je niet hebt, waar je geen last van hebt, zoals bijvoorbeeld kiespijn. Hier kun je van genieten. En er is altijd wel iets waar je blij om kunt zijn.” Van Reijen lijkt niet zo te geloven in Brinkmann’s idee van negatieve visualisatie. In ieder geval hoef je pijn of ellende zeker niet te ervaren om gelukkig te zijn. „Dat is absurd (…) Alsof je eerst je baan kwijt moet raken voordat je beseft wat deze voor je betekende.”

Het is volgens haar mogelijk om een gelukservaring te hebben zonder dat er een ongeluk, pijn of gemis voor nodig is. „Het besef dat je op de nullijn zit, op de vlakte, is al voldoende om je gelukkig te kunnen voelen.” Geluk is een neutraal gevoel, zonder hoogte- of dieptepunten.

Wat niet in onze macht ligt

Maar hoe doe je dat? Hoe kan je altijd je gemoedsrust behouden? Hoe kan je ervoor zorgen dat je niet lijdt door wat andere mensen je aandoen of door de dingen die je overkomen? Anders dan Brinkmann geeft Van Reijen geen simpele tips. Haar antwoorden zijn minder praktisch, maar geven wel meer inzicht in het denken van de stoïcijnen. Zo haalt ze de wijsheid van Epictetus die in zijn Zakboekje schreef: ‘Wat niet in onze macht ligt is de wereld, andere mensen, ons lichaam… Wat wel in onze macht ligt zijn onze gedachten, ons willen, onze keuzes.’ Als je bijvoorbeeld ontslagen wordt, ligt dat feit er. Dat betekent niet dat je bij de pakken neer moet gaat zitten. Dat zou, aldus Van Reijen, de houding van een ‘lijder’ zijn. Een ‘leider’, iemand die streeft naar gemoedsrust, kan nog van alles bedenken wat hij ertegen kan doen en of hij het er voor over heeft om die moeite nog te doen. Volgens Van Reijen hoort bij een stoïcijnse houding dat „je je inzet voor iets, zolang je denkt dat het nog wel in je vermogen kan liggen. Het accepteren als een feit komt pas wanneer blijkt dat het toch niet in je vermogen ligt.” Een stoïcijn is dus niet iemand die alles maar van zich af laat glijden, maar iemand die weet wanneer hij of zij moet handelen en wanneer hij of zij geen energie moet steken in iets wat niet in zijn vermogen ligt.

Ook laat Van Reijen opnieuw Epicurus aan het woord die stelt dat angst de belangrijkste belemmering is voor geluk. Om meer gemoedsrust te krijgen – en je dus gelukkig te voelen – moet je inzien hoe angst ontstaat en hoe je het, via nuchter redeneren, kunt ontcijferen. Angst is een gevoel dat optreedt vóórdat er iets gebeurd is. En voor angst zijn twee veroorzakende gedachten nodig zijn die botsen. Iemand met vliegangst denkt bijvoorbeeld: we mogen niet neerstorten. De tweede gedachte is: ik ga er niet over of we neerstorten. De angst ontstaat dus omdat je het idee hebt dat het ongewenste niet mag gebeuren. Om deze angst te voorkomen moet je een van de twee gedachten elimineren. De stoïcijnen zouden adviseren om „die gedachte dat je uiteindelijk niet in je macht hebt wat er gebeurt, vast te houden en de norm dat iets niet mag of juist wel moet gebeuren, te laten vallen.”

Daarmee toont Van Reijen aan dat, met behulp van kritisch denken, het wel degelijk mogelijk is om meer controle over de emoties te krijgen. De vraag is of we, als we dit zouden toepassen, ook meer ‘gaan stilstaan’ zoals Brinkmann graag wil. Misschien gaat het niet om leren ‘stil te staan’, maar te leren hoe controle te krijgen over het leven. Maar al te vaak denken we bijvoorbeeld dat de ander de oorzaak is van onze emoties. Maar misschien zijn emoties wel een gevolg van de instelling van het eigen bewustzijn. Dan zijn we dus meer verantwoordelijk voor onze gevoelens dan wel zelf denken.

Van Reijen haalt Sartre erbij (overigens geen stoïcijn) die stelt dat veel mensen de vrijheid die ze hebben proberen te ontkennen. Ze komen met zinnen als ‘dat mag niet’ of ‘dat kan niet’. En hoe vaak hoor je iemand wel niet zeggen: ‘Ik had graag thuis willen blijven, maar ja, ik moet overwerken.’ Volgens Sartre (1905-1980) is deze manier van redeneren een verhulde manier om geen verantwoordelijkheid te nemen. Want wie zichzelf kritisch onder de loep neemt, zal bijvoorbeeld toegeven dat hij of zij liever doorwerkt, omdat het thuis niet gezellig is. Of omdat hij bang is voor de woede van een veeleisende werkgever. Dát zijn dan de ware redenen voor de keuze die hij of zij maakt. Doen alsof je ‘geen keuze hebt’, bestaat volgens Sartre niet. Wil je dus leren om echt onder alle omstandigheden jezelf te blijven, dan gaat het er om duidelijke keuzes te maken. Vroeger gingen de stoïcijnen daarvoor vaak naar een goede vriend, want een vriend fungeerde als een spiegel voor het trainen van de juiste gedachten. Nu kunnen wij daarvoor ook naar een psychotherapeut of een coach. En daar is misschien wel helemaal niks mis mee.

Svend Brinkmann, Standvastig. Onder alle omstandigheden jezelf blijven. Lev. 174 blz. 13,99 euro
Miriam van Reijen, Stoïcijnse levenskunst. Evenveel geluk als wijsheid. ISVW uitgevers. 168 blz. 17,50 euro