Het bederf zit ‘m in de alledaagse krenkingen

Februari, Maxim 8 2013 036

Iemand, ik weet niet meer wie, zei ergens eens iets verstandigs. De samenleving bestaat uit tien procent ellende en tien procent elite, zei de onbekende. En daarnaast uit tachtig procent welgezinde en omgankelijke mensen. Het gesprek gaat altijd over die tien procent ellende en tien procent elite, over die tachtig procent hebben we het nooit.

Filosofen wijzen deze dagen op de terugkeer van het Kwaad, maar het Kwaad is altijd onder ons en zal nooit verdwijnen. Het is de vraag hoe die tachtig op de honderd mensen er tegenover staan. Of ze het herkennen, gedogen, bestrijden, onderschatten, steunen, zich ertegen verzetten. Geweld en agressie vormen de stof waarvan nieuws wordt gemaakt, maar die tachtig bepalen het verloop van de grote geschiedenis. Veel wezenlijker dan de dreiging van terrorisme is daarom de dreiging van rot en schimmel in de tachtig procent.

Elders liggen de verhoudingen anders en loopt de ellende hoger op. Dat Nederland een sociaal kapitaal van tachtig procent heeft opgebouwd komt mede doordat de instituties nog steeds solide zijn. Als Australiërs hun gevangenen verregaand vernederen, heeft de rot kennelijk al flink ingevreten in het justitiële apparaat dat juist is neergezet om het recht te beschermen. In Nederland martelen politieagenten niet. Toch is het voor de stabiliteit van de samenleving al erg genoeg dat ze discrimineren. Onbetrouwbaarheid van het justitiële apparaat is een grotere dreiging dan misdaad.

Je wilt geen schimmel en pest in de tachtig procent. Dat is zo’n beetje mijn motto. En ik vind steevast dat hier ligt een taak voor de tien procent elite. Die moet ten eerste leiden door voorbeeld te geven. Die moet ten tweede de tachtig procent niet beledigen en demotiveren. En die moet ten derde de ellende niet legitimeren door er uit tuttigheid mee te flirten. Als vooraanstaande grapjassen in nette kranten geweld verheerlijken, kun je niet vreemd opkijken als diezelfde humor het internet overspoelt. Het is besmettelijk, het smalen, het denigreren, het vernederen, the race to the bottom.

Hoe houd je schimmel en rot tegen in de tachtig procent? Door vernedering te voorkomen. Dat is zo’n beetje mijn credo. Hier komen Piketty en Bernie Sanders te pas, want zij vestigen de aandacht op de economische ongelijkheid die een bron is van krenking, kleinering en rancune. Ter toelichting kan ik het nu hebben over achtergestelde bevolkingsgroepen en hun gevoelens van ressentiment, maar laat ik u liever het voorbeeld geven van mijn eigen recente vernedering. Altijd geestiger dan die van een ander.

Als oppassend lid van de tachtig procent krijg ik dit jaar veel uitnodigingen iets te zeggen over de dood. Over rouw. Over de radeloosheid en uitputting die een mens overvallen na het verlies van een dierbare. Soms komt zo’n uitnodiging van het regime of de elite, maar meestal vanuit de tachtig procent. Hulpverleners, onderzoekers die iets organiseren over verlies en daarbij aan mij moeten denken. „Die meneer Februari is zelf radeloos en uitgeput. Die kan daar vast boeiend over vertellen.” Een lezing van een uur. Een inleiding, een publicatie, vijftien pagina’s over de dood.

Ben ik niet dankbaar voor de geboden kans? Er is alleen nog één ding. „We hebben helaas geen budget voor uw bijdrage.” Lieve mensen zijn het, die in hun spreekkamer de nabestaande op het hart drukken kalm aan te doen, goed op zichzelf te passen, maar die zich omwille van de bedrijfsdoelen meedogenloos tonen. Voetnoten willen ze. Powerpoint. „Afgezien van een kleine attentie kunnen wij het ons helaas niet permitteren je te betalen.”

Het bederf sluipt in de weerbare samenleving door het alledaagse beledigen, het officiële discrimineren, het financiële krenken en economische kleineren.

Hoe volslagen waardeloos ik ben, weet ik langzamerhand wel. Erger vind ik het dat zzp’ers in de zorg, de bouw en de winkelmagazijnen exact hetzelfde krijgen te horen, „geen geld om je voor je werk te betalen”, in Engeland bevallen ze op de wc uit angst hun baan te verliezen. De vernedering zit hem niet alleen in de resulterende armoede, maar ook in het besef in het oog van de ander niet meer te zijn dan een middel. Kants gebod de mens altijd te zien als een doel wordt volop overtreden door al die brave functionarissen die bedrijfsresultaten boven menselijkheid stellen en de ander laten weten hoe volstrekt waardeloos hij of zij is.

Ellende en kwaad zijn blijvend. De weerbaarheid ertegen wisselt. Het bederf sluipt in de weerbare samenleving door het alledaagse beledigen, het officiële discrimineren, het financiële krenken en economische kleineren. Bloei ontstaat door de redelijkheid en toewijding van die tachtig op de honderd mensen die uitmaken waar het met de geschiedenis heen gaat. Dat is dus goed nieuws, wil ik maar zeggen. Elkaar als doel zien – en alles komt goed.