Premier in maatschappelijk springtij

Necrologie

Oud-premier en marineofficier Piet de Jong (3 april 1915 – 27 juli 2016).

Foto Robin van Lonkuijsen / ANP

Tegenwoordig zou hij erom gekritiseerd of verguisd worden. Maar ex-premier Piet de Jong, die woensdag op 101-jarige leeftijd is overleden en inmiddels in stilte is begraven, heeft eind jaren zestig de boel bij elkaar gehouden. Zijn kabinet heeft met concessies aan de tijdgeest – concessies die niet onderdeden voor de maatschappijhervormingen van het kabinet-Den Uyl vanaf 1973 – de nieuwlichterij van die dagen zo gekanaliseerd dat er geen ongelukken zijn gebeurd. Hij is er nooit ruimhartig voor bedankt, laat staan geprezen.

Ten onrechte. Ook Nederland begint in het jaar 1967 namelijk te kantelen. De laatste vooroorlogse en eerste naoorlogse generaties ruiken dat het ‘establishment’ oog in oog met ‘provo’ aan het einde van zijn Latijn is. De macht lonkt. Vervang ‘establishment’ door ‘elite’, of ‘provo’ door ‘Pim’, en een analogie dringt zich op. De gezeten burgerij zit medio jaren zestig in het defensief.

In dat klimaat wordt De Jong op 4 april 1967 – precies één dag na zijn 52ste verjaardag – beëdigd als premier van een kabinet dat wordt gevormd door partijen die het tij hoe dan ook tegen hebben. De coalitie van KVP, ARP, CHU en VVD kan niet bogen op een overtuigend mandaat van de kiezers. De KVP is bij de verkiezingen van februari 1967 met acht zetels verlies gestraft voor de ‘Nacht van Schmelzer’ in november 1966, toen het rooms-rode kabinet-Cals ten val was gebracht. De PvdA heeft het met zes zetels verlies amper beter gedaan.

Aan de randen van het spectrum is het juist een drukte van belang. De CPN heeft de electorale rampen sinds het IJzeren Gordijn en de officiële onthullingen over Sovjetleider Stalin achter zich gelaten. De PSP blijft een alternatief voor antimilitaristisch links. De Boerenpartij van Hendrik Koekoek, personificatie van de door Europa weggesaneerde keuterboeren en anderen die tegen het poldersysteem zijn, is naar een record van zeven zetels doorgestoten. En D’66, een partij die het ‘bestel’ wil doen ‘ontploffen’, heeft onder de charismatische leiding van Hans van Mierlo bij haar eerste verkiezingen ineens ook zeven zetels gewonnen.

Naar de maatstaven van die jaren zestig, toen Nederland nog een opkomstplicht voor de kiesgerechtigde burger kende, zijn dat electorale schokgolven. Geen enkele grote partij beschikt over voorlieden die deze Wende het hoofd kunnen bieden. Joop den Uyl (1919-1987) is nog maar net aan het leiderschap van de PvdA begonnen. Hans Wiegel is slechts kandidaat-Kamerlid voor de VVD. En de KVP, waar Norbert Schmelzer na de electorale schrobbering een toontje lager zingt, heeft nog maar een paar stabiele krachten over, zoals Joseph Luns (1911-2002), die de tijdgeest simpelweg ontkent, en Marga Klompé (1912-1986), de eerste vrouwelijke minister van Nederland. En de onuitgesproken Piet de Jong.

Foto David van Dam

Oud-premiers Jan Peter Balkenende, Ruud Lubbers, Piet de Jong en Dries van Agt tijdens de presentatie van de canon van de christendemocratie in 2012. Foto David van Dam

Geen politiek mens

Foto Nia Palli

Premier Mark Rutte ontvangt zijn verre voorganger in 2012. Foto Nia Palli

Een politiek mens is Petrus Jozef Sietze de Jong niet, een bestuurder wel. Als kapitein van een moderne onderzeeboot van Hollandse makelij heeft hij, onder commando van de Royal Navy, in de Tweede Wereldoorlog daadwerkelijk strijd geleverd. Na 1945 is zijn militaire carrière bij marine én Koninklijk Huis gestaag voortgeschreden. Totdat hij in 1959 – dan nog niet eens lid van de KVP, een partij die ongeveer 400.000 leden heeft, meer dan alle politieke partijen anno 2007 samen – wordt benoemd tot staatssecretaris in het kabinet-De Quay.

Die functie is geen sinecure. Het samenvoegen van de ministeries van Oorlog en Marine tot één ministerie van Defensie heeft kwaad bloed gezet in Den Helder, dat het nu met een staatssecretariaatje moet doen. Vier jaar later wordt hij minister van Defensie, een functie die hij in drie verschillende kabinetten (Marijnen, Cals en Zijlstra) zal bekleden.

Dat de KVP in 1967 juist Piet de Jong vraagt premier te worden, wijst erop dat de partij over zijn rug tijd wil winnen. Want dat de kleine premier het vier jaar volhoudt en onderweg slechts één minister kwijtraakt, is niet ingecalculeerd. De meeste voortekenen wijzen namelijk op een kort kabinetje. Een incubatietijd is hem ook al niet gegund. Meteen in de eerste drie maanden is het raak, in het buitenland en in eigen land.

Op 21 april 1967 pleegt een groep kolonels in Griekenland een staatsgreep, waardoor de NAVO als bondgenootschap voor vrijheid en democratie na Portugal ineens een tweede dictatuur in haar midden heeft. Op 5 juni begint de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en de Arabische wereld, die de kaart van het Midden-Oosten radicaal verandert en Nederland als bondgenoot van de Verenigde Staten én Israël plotseling een rol op het wereldtoneel bezorgt.

In Nederland zelf is de premier al binnen vijf weken de beul door burgemeester Gijs van Hall van Amsterdam aan de dijk te zetten. Van Hall is door een staatscommissie gehekeld wegens de ongeregeldheden bij het huwelijk (van prinses Beatrix met Claus von Amsberg) en het bouwvakkeroproer in 1966. De Jong biedt Van Hall voor de keuze: óf hij neemt vrijwillig ontslag óf hij wordt ontslagen.

Foto ANP

Premier De Jong en minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns op bezoek bij de Amerikaanse president Richard Nixon in 1969. Foto ANP

Foto ANP

Premier De Jong kondigt in de Tweede Kamer het ontslag van burgemeester Gijsbert van Hall van Amsterdam aan in 1967. Foto ANP

Schikken en plooien

Dat de revolutionaire beweging Provo zich op 12 mei 1967 demonstratief opheft, is niet meer dan een schrale troost. Het ergste voor het ‘establishment’ moet nog komen. In chronologische volgorde. De oprichting van de PPR door afgedreven KVP’ers en een enkele ARP’er in 1968. De opmars van Nieuw Links in de PvdA. Het kortstondige bestaan van de Karl Marx Universiteit Tilburg en de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam in 1969. En vervolgens in 1969-’70 de ‘Damslapers’ die in Amsterdam door de jantjes, marinepersoneel uit De Jongs eigen Den Helder worden weg gemept. De hasjwalmen op het popfestival in Kralingen, de acties Notenkraker en Tomaat, dienstplichtigenbond VVDM en Dolle Mina, de geboorte van de kraakbeweging en de eerste gewelddadige actie van Molukse jongeren.

Onder leiding van De Jong reageert het kabinet daarop met een politiek van ‘schikken en plooien’, zoals de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy het drie decennia later in zijn studie Nieuw Babylon in aanbouw zal noemen. De ministers krijgen daarbij de vrije hand. Dat leidt tot bokkensprongen. Bijvoorbeeld van Joseph Luns (KVP), die kolonel Papadopoulos in Athene wel best vindt en Salazar in Portugal prijst om diens beschavingswerk in Afrika.

Maar deze anachronismen vallen in het niet bij talloze structurele hervormingen en ingrijpende besluiten, die nu soms abusievelijk op het conto van het linkse kabinet-Den Uyl worden geschreven.

Foto ANP

Piet de Jong op bezoek bij koningin Juliana op paleis Huis ten Bosch in 1967. Foto ANP

Zo is het kabinet-De Jong verantwoordelijk voor onder meer het volgende: de staatssteun aan de scheepswerf van Verolme (waarover later de eerste parlementaire enquête in veertig jaar wordt gehouden); de wet op het minimumloon; de invoering van de btw die begin 21ste eeuw meer geld zou opbrengen dan de inkomstenbelasting; het beëindigen van de opkomstplicht bij verkiezingen; de opheffing van het verbod op de vrije verkoop van voorbehoedsmiddelen; de afschaffing van artikel 248bis over ontucht, waardoor homoseksualiteit uit het strafrecht wordt gehaald, alsmede de invoering van een echtscheidingswet die een eind maakt aan de ‘grote leugen’ over overspeligheid. En het kabinet-De Jong is zelfs verantwoordelijk voor de vermaledijde Wet Universitaire Bestuurshervorming waarmee studenten macht veroveren ten koste van academische professoren en lectoren.

De ministers, die voor deze ingrijpende beleidsagenda tekenen, komen zowel uit confessionele als liberale kring. Zonder bewindslieden als Witteveen (VVD) van Financiën, Polak (VVD) op Justitie, en Veringa (KVP) van Onderwijs had P.C. Hooft-prijswinnaar Gerard Reve nooit minister Marga Klompé (KVP) van CRM kunnen kussen, een daad die in 1969 nog opzien baart.

Als het kabinet-De Jong na een ongeschonden ambtstermijn in 1971 reguliere verkiezingen uitschrijft, wordt het door de kiezers, die nu voor het eerst vrijwillig naar de stembus komen, deels beloond en deels gestraft. Met de KVP, die niet met hem maar met Veringa als lijsttrekker de campagne in gaat, blijft het bergafwaarts gaan, net als met de ARP en de CHU.

Foto ANP

In gesprek met dirigent Bernard Haitink van het Concertgebouworkest en Prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven in 1969. Foto ANP

Saaie rust

Maar de bevolking heeft waardering voor de premier, die de wekelijkse persconferentie introduceert om van de aparte telefoontjes van journalisten af te zijn. Zijn saaie rust heeft indirect ook electoraal effect. De Boerenpartij is in 1971 al weer over haar hoogtepunt heen. Evenals de PSP, die ondanks of dankzij een affiche van een blote vrouw met koe wordt gehalveerd. De lichte winst van de PvdA wordt compleet tenietgedaan door de oud-marxistische partij DS’70.

De Jong zelf trekt zich terug in allerhande bestuurlijke functies in het maatschappelijke middenveld en het bedrijfsleven. Zelfs het burgemeesterschap van Eindhoven laat hij aan zich voorbijgaan.

Hij betreedt nog eenmaal het politieke podium. Als in 2010 zijn partij, dan het CDA, een congres organiseert waar de leden zich kunnen uitspreken over de voorgenomen gedoogconstructie met Wilders’ PVV, wordt ook de 95-jarige Piet de Jong in de zaal de microfoon voorgehouden. Hij zegt: „Hoezeer het me ook spijt, ben ik volstrekt tegen deze overeenkomst.” Maar een meerderheid van de CDA-leden steunt toenmalig partijleider Maxime Verhagen en stemt in met deelname aan het kabinet-Rutte I.

Na De Jongs aftreden als premier zal het nog twee jaar duren voordat Den Uyl premier wordt van een kabinet dat retorisch weliswaar veel radicaler is dan dat van De Jong, maar dat meer invloed heeft gehad op het politieke discours dan op de maatschappelijke werkelijkheid.

Zij die al het slechte aan Den Uyl verwijten, zijn dan ook te mild voor zijn voorganger Piet de Jong. Net zoals degenen die heimwee hebben naar de gepassioneerde jaren zestig, schatplichtig zijn aan de marineofficier die in 1959 per ongeluk in de politiek belandde en het daar, ondanks het maatschappelijke springtij, twaalf jaar zonder onderbreking uithield.