Moord

©

Bij het opruimen van m’n boekenkast vond ik een oud plakboek onder een stapel fotoboeken. Op de voorkant waren vijf identieke stickers geplakt met als opschrift: München 1972. Als 14-jarige jongen wilde ik als thuisverslaggever de Olympische Spelen bijhouden. Op de eerste pagina ik mijn introductie: „De Spelen gaan ongeveer 16 dagen duren. Enkele bouwwerken zijn als eerste natuurlijk het schitterende stadion en natuurlijk het grootste dak ter wereld.” Kromme zin, twee keer ‘natuurlijk’.

Ik las verder: „Het enige nadeel van dit dak is dat de kosten veel te hoog waren in verhouding met de van tevoren beraamde kosten.”

Geen geweldige zin maar het journalistje in wording toonde een licht kritische houding. Toen was er kennelijk ook al gedoe met financiën rond grote sporttoernooien.

Het plakboek is opgefleurd met uitgeknipte kleurenfoto’s van de accommodatie: het beroemde dak van plexiglas boven het stadion in München, de groene weides en de wielerbaan.

Op de draagbare Triumph-typemachine van mijn vader tikte ik in mijn kamertje rijtjes met de belangrijkste wereldrecords: 9,9 seconden voor sprinter Hines, 8,90 meter voor verspringer Beamon en 51,0 seconden voor de 400 meter van hardloopster Neufville.

Het oogt allemaal toegewijd en secuur. Zo te zien had ik zin in de Olympische Spelen in West-Duitsland. Op de velletjes met de uitslagen kon ik me niet meer inhouden als een Nederlander goed presteerde. Op donderdag 31 augustus 1972 tikte ik met hoofdletters: RUSKA VERSLAAT GLAHN OP IPPON. RUSKA!!! GOUD.

Opeens volgden twee blanco pagina’s in het plakboek. Ik sloeg om. Op de volgende bladzijden stonden met woeste hanenpoten twee woorden geschreven, in potlood: MOORD en nog eens MOORD. Het waren de laatste werkzaamheden als junior-verslaggever van mijn eerste Olympische Spelen.

Ik herinner me nog hoe ik verslagen met mijn ouders voor de tv zat. Op de elfde dag gijzelden gewapende mannen van de Palestijnse beweging Zwarte September de Israëlische ploeg in het olympisch dorp. Er liep iemand met een bivakmuts op een balkon. Elf sporters kwamen om het leven. Terroristen marcheerden mijn schone wereld binnen. De olympische vlag hing halfstok. In een stadion bedreef IOC-voorzitter Brundage politiek door na de slachtpartij voor het oog van de wereld te zeggen: „The games must go on.”

De moed het toernooi voortijdig te beëindigen was er niet. Zoals nu de moed ontbreekt om zekere dopinggebruikers uit Rusland te weren.

Na de fatale gijzeling bleef mijn plakboek dicht en het verdween uit zicht. Hebben de Spelen na die elfde dag in München voor mij hun onschuld verloren? Of gebeurde dat vier jaar eerder in Mexico toen de jongens van Black Power hun zwarte handschoenen tot vuisten balden?

Het zou zomaar kunnen.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.