Kunnen koken

Het leuke van de zomer is dat er veel meer uitnodigingen voor etentjes zijn dan in de winter. Misschien ligt dat aan mij en word ik alleen opgeroepen in de maanden dat iedereen op vakantie is, om de lege plekken op te vullen, maar hey, daar kan ik totaal mee leven. Al mijn vrienden zijn cum laude afgestudeerd aan Zweinsteins Hogeschool voor Hapklare Heerlijkheden en torsen de ene na de andere culinaire climax op tafel zoals geblancheerde giraf met pauwentongmayonaise, en voor de vegetariërs (zoals ik) is er dan gnocchi van emmertarwe met truffelsiroop. Tijdens een van de vijftiengangendiners waar ik afgelopen week mocht aanschuiven, kon ik mijn geluk niet meer voor me houden. „Jullie kunnen allemaal zo geweldig koken!” schreeuwde ik, „Het is allemaal zo ontzettend lekker, hoe is het in godsnaam mogelijk?”

Ik haalde ik het boek Rubicon van Mark Holland aan, over de nadagen van het Romeinse Rijk, toen de staat op bijna elk vlak in verval was geraakt maar de gastronomie een hoogtepunt bereikte. Als de samenleving uit elkaar valt, neemt de kookkunst toe, aldus Holland. Het verklaarde zoveel! Mijn vrienden barstten in lachen uit.

„Nee joh”, zei de kok van dienst, „je leest te veel Blendle, zó slecht gaat het echt niet met de wereld.”

„Maar waardoor zijn jullie allemaal van die kookwonders?” vroeg ik.

„Dankzij onze ouders!” zei mijn buurman. Wat bleek, de meeste topchefs uit mijn omgeving kwamen uit een gezin waarin het eten ronduit afschuwelijk was. Niet eens door armoede (al zat er iemand tussen wiens gezin een tijdlang van de Voedselbank afhankelijk was geweest en die daardoor nu zelf met de belabberdste ingrediënten Michelin-waardige gerechten kan maken), maar hoofdzakelijk door gebrek aan inspiratie van degene die het kookeiland bezette.

„Mijn vader was het brein achter Aardappel Anders-ánders”, zei mijn buurman, „hij

vond dat alles na drie minuten wel gaar was. Halfrauwe schijfjes in een lauwe saus. We moesten alles opeten.”

„Onze oma wist draadjesvlees zo droog te koken, dat je darmen de rest van de avond een bijna-doodervaring hadden”, zei een ander.

Het beste verhaal kwam van de kok: „Mijn zusje en ik voerden zoveel mogelijk stiekem aan de hond. Gevolg: wij werden dunner en de hond dikker. Waarop mijn moeder de hond op dieet zette en ons extra opschepte. Waardoor de hond nog dikker werd.”

„Wauw”, zei ik, na al die verhalen te hebben aangehoord. „Dus eigenlijk dank ik dit topdiner aan jarenlang vreselijk eten!” Mijn vrienden knikten lijdzaam. Vrolijk schepte ik nog een extra portie vitelotte-roodloofsalade op.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.