Angst op de route via de Damascuspoort

Voor orthodoxe joden is de weg naar de Klaagmuur niet zonder meer veilig

in Jeruzalem

Om de paar meter kijkt David Gluberman (34) over zijn schouder. De ultraorthodoxe jood baant zich een weg door de nauwe straatjes van de moslimwijk van de Oude Stad in Oost-Jeruzalem – langs Palestijnse straatverkopers, winkeltjes waar brood of fruit uitgestald ligt, vrouwen met kinderen, opgeschoten jongens. Elke vijftig meter staat er een groepje Israëlische militairen, M16 in de aanslag.

Gluberman is op weg naar de Klaagmuur, waar hij drie tot vier keer per week bidt. Maar de route door de moslimwijk die hij vandaag neemt, kiest hij normaal gesproken niet meer. In de afgelopen driekwart jaar zijn er hier geregeld steekpartijen geweest. En de meeste slachtoffers zijn ultraorthodoxe joden als Gluberman. Niemand ziet er zo joods uit als zij, met hun hoed, pijpenkrullen en lange, zwarte jas.

De steekpartijen zijn onderdeel van wat door sommigen de Derde Intifada wordt genoemd. Sinds september vorig jaar zijn er zo’n 35 Israëliërs en ruim tweehonderd Palestijnen omgekomen. Ruim de helft van deze Palestijnen werd door Israël verdacht van het plegen van een aanslag.

En daarom is de meest geschikte looproute van West-Jeruzalem naar de Klaagmuur een onderwerp van gesprek in de ultraorthodoxe gemeenschap van Jeruzalem, die bestaat uit 150.000 van de 800.000 inwoners van de stad. Tegenwoordig neemt Gluberman liever de Jaffapoort, in het westen van de Oude Stad, dan de Damascuspoort aan de noordzijde. Dan doet hij er wel 33 minuten over in plaats van 25.

Sinds ik onlangs van het mondaine Tel Aviv naar de Oude Stad in Oost-Jeruzalem verhuisde, is de oude, gevaarlijke route van Gluberman ook mijn dagelijkse loopje. Maar anders dan hij ben ik nog niet bang geweest. Voor Palestijnse aanslagplegers ben ik geen voor de hand liggend doelwit. Ik loop een keertje met hem mee, in een poging om zijn angst te begrijpen.

„Dit is de plek waar op 3 oktober Aharon Banita-Bennet en Rabbi Nehemia Lavi werden doodgestoken”, zegt Gluberman in de Al-Wad-straat. Ondertussen diept een Palestijnse vrouw iets op uit haar zak; Gluberman blijft prompt even stilstaan bij een groepje militairen. Je weet maar nooit. In een zijstraat, de Via Dolorosa, stak een Palestijn begin mei nog een ultraorthodoxe jood neer. Sommige Joodse kolonisten komen voorbij in een kogelwerend vest.

Volgens Gluberman is het niet moeilijk om te bedenken waarom sommige Palestijnen gewelddadig zijn ten opzichte van Joden. „Ze haten ons gewoon. Dat stamt al uit de Bijbel: Esau haatte Jacob. Er is niets aan te doen.” De bijbelse figuur Esau wordt door sommigen beschouwd als aartsvader van de moslims. Ziet Gluberman een verband met de Israëlische bezetting van Palestijns gebied? Nee, zegt hij. „We hebben hun land gegeven, maar ze konden hun beloften niet waarmaken.”

Gluberman, vader van zeven, heeft er wel „vier keer over moeten nadenken” of hij aan dit verhaal wilde meewerken. Toch is hij niet bang, zegt hij: uiteindelijk bepaalt God of hem iets overkomt. „Maar dat betekent niet dat je geen eigen verantwoordelijkheid hebt. Ik moet er wel iets voor doen.” Van Israëlische politici verwacht hij niet veel. „Hadden we maar een president zoals Poetin. Denk je echt dat er onder zijn leiding nog langer steekpartijen zouden zijn?”

Bij de Klaagmuur gaat tot drie keer toe de pieper af als hij door het beveiligingspoortje stapt. O ja, dat is waar ook: hij had nog een keukenmes bij zich. Dat had hij nodig voor z’n werk, vandaar. Even achterlaten bij de beveiligers, meneer.