Twee van de tien mannen die samen de minjan vormden, begonnen met een opengeslagen boek in de hand, het bovenlijf knipmessend, bij toerbeurt hun gebeden te zeggen.

Opa Ban had me meer Russisch dan Hebreeuws geleerd: ik kon de teksten nauwelijks volgen, maar merkte al gauw dat er systeem zat in de afwisseling van stemmen. Telkens viel, knikkend, een volgende bidder in – tot ze alle tien tegelijk bezig waren hun bijdrage te leveren aan de kaddisj. Ze stonden in schijnbare wanorde rond de kist, maar voor ingewijden moest er een grondpatroon in te ontdekken zijn. Ik merkte dat ik op de cadans van het voorgedragene zelf onwillekeurig met mijn bovenlichaam zat te wiegelen. Het klonk als een hoekig contrapuntisch recitatief, zonder instrumentale begeleiding.

Toen het voorbij was, vroeg de jonge rabbijn, rondkijkend, of er nog iemand uit de directe familie kaddisj wilde zeggen. Ik keek naar de jonge vrouw aan de andere kant van het rode afscheidingskoord, en die misschien wel een verre verwante van opa Ban was. Ik had haar bij binnenkomst als aantrekkelijke verschijning opgemerkt, maar door de dikke hoofddoek die haar was opgedrongen, leek ze op een wat plompe Russische baboesjka. Ze bleef naar het kleine bloemboeket in haar schoot zitten kijken. Ik stond op, en liep op de rabbijn bij de kist toe. ‘Wilt u het namens mij doen? Mijn Hebreeuws laat te wensen over. De laatste woorden van mijn grootvader waren: parat Mosje rabbenoe.’

Uit de minjan rond de katheder steeg gemompel op. De heren keken elkaar met zo hoog opgetrokken wenkbrauw aan dat hun keppeltje ervan verschoof. Van de vrouwenkant kwam een luide snik. Het was Rachel. Bij het uitspreken van opa Bans laatste woorden had ik mijn hand op een hoek van de kist gelegd. De jonge rabbijn gaf me met zijn heldere, pientere ogen achter recht geslepen brillenglazen te verstaan dat ik weer kon gaan zitten, maar ik volhardde in mijn houding. Hij richtte de blik op zijn boek, en hervatte de kaddisj. Ik lette scherp op of hij zijn tekst improviseerde rond ‘parat Mosje rabbenoe’, maar herkende de klank van de woorden niet terug. Onder het bidden bewoog hij zijn bovenlijf soepel, atletisch bijna, vanuit de heupen. Alsof hij stond te swingen op de dansvloer van een discotheek.

Voorin de aula gingen de dubbele deuren open, en grauw daglicht stroomde binnen: het regende. Het bedruppelde zwart van een lijkauto met open klep werd zichtbaar. Een oudere rabbi nodigde me uit om de kist mee naar buiten te dragen. Ik omklemde het handvat al toen ik vanuit mijn ooghoeken zag hoe de onbekende vrouw de aula via de hal verliet. De hoofddoek en het bosje bloemen waren op de stoelzitting achtergebleven.

‘Ogenblik, misschien kunt u even...’ Ik sprong over het rode koord heen, en rende via de hoofdingang naar buiten. In de hal keek ik even om: de rabbi had mijn plaats als drager ingenomen. Het duurde even eer ik de vrouw ontdekte: op de parkeerplaats, achter het stuur van zo’n rood wisselautootje met groene letters erop. De motor liep al. Ik tikte op het portierraam. Ze beduidde me om naast haar in te stappen.

‘Ik wilde u alleen even bedanken voor uw komst,’ zei ik. En zij, in het Russisch: ‘Ik weet dat u Russisch spreekt.’ Ik herhaalde dus mijn mededeling in die taal, en voegde eraan toe: ‘Mag ik ook weten wie u bent?’

‘Ik ben niemand,’ antwoordde ze. ‘Een niemand bedank je niet. Ik wil u alleen met klem afraden om naar Oekraïne terug te keren.’

‘De Donbas, bedoelt u.’

‘Heel Oekraïne.’ Ze stelde de achteruitkijkspiegel bij.

‘Waarom raadt u mij dat af... namens wie?’

‘Ik heb u de boodschap overgebracht. Verder reikt mijn bevoegdheid niet. Als u zo vriendelijk wilt zijn het portier te sluiten...’

‘Ik was helemaal niet van plan om naar Oekraïne te gaan,’ probeerde ik nog. ‘Wie zegt u dat ik daar ooit geweest ben?’

Ze keek of de rijweg vrij was – niet via de spiegel, maar over haar schouder. ‘Hoe ze er in Donetsk en omgeving over denken, dat is mijn zaak niet... maar u bent ook gesignaleerd in Charkov, en daar wil men u beslist niet terugzien. Meer kan ik er niet over kwijt.’ Ze stuurde de auto met een ruk achteruit, waardoor de klink me uit de hand werd getrokken. Met verder openzwaaiend portier reed ze de straat uit.

Alle reeds gepubliceerde afleveringen van het feuilleton zijn te vinden op nrc.nl/afth