Niemands oorlog

Non-fictie

Aan de hand van vele voorbeelden laat journaliste Christina Lamb zien hoe het Westen van de missie in Afghanistan een mislukking maakte.

Britse mariniers in actie in de Zuid-Afghaanse provincie Helmand, in 2007 Foto EPA/Leading Airman Gaz Faulkner

Wie denkt er nog wel eens aan de wederopbouwmissie in Afghanistan? Die missie waarvan al meteen duidelijk was dat het voorzetsel ‘weder’ beter kon worden weggelaten, en snel na aanvang ook de lettergrepen ‘opbouw’, en het woord ‘missie’ vervangen konden worden door ‘oorlog’?

Het is alweer tien jaar geleden dat Nederlandse militairen en diplomaten op de kaart opzochten waar Uruzgan lag en hun spullen inpakten. De Britten hoefden niet op te zoeken waar de provincie lag die zij onder hun hoede zouden nemen. Dit was al hun vierde oorlog in Afghanistan. Een geschiedenis waarvan de Britten en de andere NAVO-landen hadden moeten leren, vindt Christina Lamb, oorlogsverslaggever van The Sunday Times die al bijna dertig jaar over Afghanistan schrijft. Dan was deze oorlog waarschijnlijk minder rampzalig verlopen.

‘Hoe kwamen deze mensen erbij dat de Afghanen niet tegen ze zouden vechten?’ vraagt Lamb zich af in Farewell Kabul, het lijvige verslag van haar tijd in Afghanistan en Pakistan. ‘Al eeuwenlang hadden ze elke supermacht verslagen die probeerde hen te veroveren.’ Toch zei vooraf John Reid, de toenmalige Britse minister van Defensie, ernaar uit te kijken om ‘over drie jaar weer te vertrekken zonder een schot te hebben gelost’. In werkelijkheid vuurden de Britse militairen in hun provincie Helmand alleen al tussen april en september 2007 zo’n 2,5 miljoen kogels af, twee voor elke inwoner. Hun aanwezigheid in Helmand duurde geen drie, maar acht jaar.

Wederopbouwretoriek

Ook de Nederlandse ministers en legerleiding hielden de wederopbouwretoriek heel lang vol, waardoor ze al snel achter de feiten aanliepen en de Nederlanders in Uruzgan vooral bezig waren met het beschermen van twee cirkels terrein rond de militaire kampen. Inktvlekken die maar niet naar elkaar toe wilden groeien. Uiterlijk dit jaar zouden de Amerikanen die na 2014 in het land achterbleven om het Afghaanse leger bij te staan, weer vertrokken zijn. Toch heeft president Obama hun missie net verlengd en uitgebreid, omdat het Afghaanse leger toch nog niet zelf de Talibaan aankan.

Voor Christina Lamb was het al die jaren bevreemdend om te zien hoe de beslissende politici en militairen deze oorlog bleven onderschatten en fout op fout stapelden. Vermijdbare fouten vaak, ware het niet dat geen van de machthebbers in Washington, Londen of Brussel, noch hun adviseurs, zoveel ervaring in de regio had als zij. Ook voor de generaals op de grond was Afghanistan een missie van slechts een half jaar of een jaar. Nederlandse militairen bleven vier maanden, met een pauze. Diplomaten waren na elke zes weken twee weken met verlof. En zo is de moderne oorlog niemands oorlog. Niemand is er lang genoeg bij om het conflict te doorgronden, laat staan een verbetering te forceren.

De verhalen van de politici en militairen, die elk jaar beloofden dat dit het jaar van de omslag zou worden, hebben nooit overtuigd. Dit boek doet dat wél. Niet alleen omdat Lamb al zolang betrokken is en daardoor inzichten en een bronnennetwerk heeft opgebouwd waarvan anderen slechts kunnen dromen. Ook omdat ze buiten de hoofdsteden en de militaire bases treedt om gewone Afghanen te vragen waarom ze de Talibaan steunen terwijl die hen zo wreed onderdrukken. En omdat ze plaats inruimt voor Pakistan, het land dat de sleutel in handen houdt in dit conflict.

Wie de hoofdstukken over Pakistan leest, houdt het haast voor onmogelijk dat het Westen zich steeds zo heeft laten overrompelen aan de andere kant van de Durandlijn, de kunstmatige grens die dwars door het land van de Pashtun loopt. Zoals een lokale inwoner het samenvat: ‘We zijn al 5.000 jaar Pashtun, 1.400 jaar moslims, en pas een jaar of vijftig Pakistanen.’ Dat betekent dat Osama bin Laden na 9/11 en de mislukte klopjacht in Tora Bora rustig een beroep kon doen op de Pashtunwali, de lokale leefregels die bescherming voorschrijven aan iedereen die zegt voor de islam te strijden. Dat de Pakistaanse president Musharraf de Amerikanen zijn steun had toegezegd bij de jacht op de Al-Qaeda-topman zei hen niets. De 25 miljoen dollar die de VS op zijn hoofd hadden gezet evenmin.

Dat Bin Laden later ongestoord op enkele tientallen kilometers van Islamabad bleek te leven, in een garnizoensstad nota bene, is ook minder verbazingwekkend dan het lijkt. Goede kans dat de geheime dienst ISI wist waar hij zat, maar zich had voorgenomen dat pas bekend te maken op het moment dat Pakistan er iets voor terug kon krijgen van Amerika. Timing is alles als je voortdurend dubbelspel speelt.

Wapensmokkel

Dat dubbelspel heeft Lamb door de jaren heen dikwijls van dichtbij waargenomen. Ze tekende op hoe transportbedrijven van het Pakistaanse leger wapens naar Afghanistan smokkelden en hoe legertrucks ladingen Talibaanstrijders de grens overzetten om de Amerikanen aan te vallen. Toch bleven de Amerikanen en de andere NAVO-landen volhouden dat Pakistan een bondgenoot was. ‘Pakistan speelde geen rol in de plannen die we maakten voor Helmand’, zegt een Britse kolonel. Sinds 2001 heeft het land meer dan twintig miljard dollar aan Westers hulpgeld gekregen.

Ook ten aanzien van Afghanistan zelf is er van alles structureel mis in de missie. Het onderscheid tussen de Amerikaanse deurenintrappers die Bin Laden zochten (die al in Pakistan zat) en de constructief bedoelde NAVO-missie was voor Afghanen niet te maken.

Gevolg was dat er van vertrouwen geen sprake kon zijn. Van het opbouwwerk werd te weinig werk gemaakt, terwijl de papaverteelt, voor veel boeren de enige bron van inkomsten, van tijd tot tijd juist hard werd bestreden. Boeren met vernietigde papavervelden hadden vaak geen andere keus dan hun schuldeisers af te betalen met hun dochters.

En zo zijn er tal van voorbeelden in Farewell Kabul die aantonen hoe we na het verjagen van het Talibaan-bewind in 2001 ‘van een succes een mislukking hebben gemaakt’. Lamb schrijft het scherp maar feitelijk op. Een minpunt is haar hechte vriendschap met de Pakistaanse premier Benazir Bhutto, die kritische vragen in de weg lijkt te staan. Ook zijn er onderwerpen die meer aandacht hadden mogen krijgen, zoals het mislukken van het ontwikkelingswerk door militairen en de moeite die het kost om de lokale veiligheidsdiensten op te leiden.

‘Ik geloof echt dat dit niet zo had hoeven lopen’, schrijft Lamb. Daarmee breekt ze met het heersende fatalisme dat het resultaat is van de mislukkingen in Afghanistan en Irak, en dat zijn weerslag heeft op de westerse opstelling in de huidige conflicten in Syrië, Oekraïne en Libië. Wie weet kan het wél. Begin de volgende keer eens met een stapeltje geschiedenisboeken. En leg dit boek dan bovenop.