‘Mestreech is gruuts op diech’, klinkt het op Twitter

Dialect

Een band met je geboortegrond is ook via sociale media te onderhouden. Opkomst van de dialectschrijver.

Carnaval in Maastricht. Foto ANP / Marcel van Hoorn

Met sociale media zijn in een oogwenk duizenden kilometers overbrugbaar. De wereld wordt een dorp. Minder vanzelfsprekend wellicht is dat bij al die nieuwe mogelijkheden de regio van herkomst nog meer dan voorheen wordt gekoesterd. Op sociale media blijkt een aantal mensen plots in streektaal of dialect te gaan schrijven, iets wat ze voorheen nooit deden.

Riet Schreurs (53), werkzaam in de horeca, kan het bevestigen. Ze sprak Venloos, zong met een koor in het Venloos, maar gebruikte voor brieven en mails altijd het Nederlands. „Op Facebook en Twitter, zonder plechtstatige en hoogdravende berichten, doe ik alles in het dialect. En nog mooier: ik zie het ook jongeren doen. Hun spelling klopt niet altijd. Maar dat doet er wat mij betreft niet zo toe. Ze gebruiken weer dialect.”

Streektalen en dialecten waren tot voor kort vooral mondeling overgeleverde tradities. Slechts een kleine groep zette iets op papier.

Die schroom is verklaarbaar, zegt Leonie Cornips, hoogleraar taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht en als onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut. „De elites die in de 19de eeuw bij het groeien van de Nederlandse natie genootschappen oprichtten om de streektaal te beschermen, maakten daar graag iets exclusiefs van.” Vandaar de overdaad aan accenten en trema’s in de geschreven variant.

Dong Nguyen en Dolf Trieschnigg, onderzoekers van de Universiteit Twente, bestudeerden dialectgebruik op sociale media in Friesland en Limburg. Van de onderzochte Friese tweets bleek zo’n 5,3 procent Fries te bevatten. Bij de Limburgse tweets was zo’n 8 procent deels of helemaal in het Limburgs. Niet toevallig spreken ook minder Friezen Fries dan Limburgers een van de dialecten beheersen.

De inhoud blijkt ook sterk te verschillen. In Friesland gaat het vaak over politieke onderwerpen, in Limburg meer over carnaval en plaatselijke evenementen. „Ook dat is eigenlijk logisch”, vindt Cornips. „Friezen hebben een standaardtaal. In Limburg kan een verschil van vijf kilometer qua dialect al behoorlijk verschil maken. Dan heb je het met elkaar eerder over iets plaatselijks.”

Ook chauvinisme laat gebruikers van sociale media overschakelen op dialect. „Perficia @tom dumoulin! Mestreech is gruuts op diech!” (Proficiat! Maastricht is trots op je!), werd getwitterd toen Dumoulin de proloog van de Ronde van Italië op zijn naam schreef. Acteur Huub Stapel, geboren en getogen in Tegelen, schakelde een paar weken eerder op Twitter over op zijn moedertaal toen Wout Poels uit Blitterswijck de wielerklassieker Luik-Bastenaken-Luik won: „Potdomme…Woutje wint LBL…,uut Blitterswieck….perfisia.”

Niet alleen Stapel, ook andere Limburgers die elders wonen houden met dialectgebruik op sociale media een band met de geboortegrond. Veel boodschappen, van mensen binnen en buiten de streek, bevatten dialect en Nederlands door elkaar.

Onderzoeker Nguyen: „Het is duidelijk dat mensen sneller in het dialect reageren als een vorige tweet ook in het dialect is gesteld. Alleen daarom is het goed dat er in Friesland vervolgonderzoek komt naar wat er gebeurt op WhatsApp en Facebook. Twitter is toch meer eenrichtingsverkeer, iets anoniemer. WhatsApp en Facebook zijn meer gericht op directe communicatie, vormen ook gemeenschappen.”

Cornips heeft nog wat zaken op haar verlanglijstje waarvoor voorlopig geld ontbreekt. „Een app waarmee mensen kunnen zien wat in hun Limburgse dialect de meest gangbare spelling van een woord is. En een app met een ‘Hoe & Wat’ in de dialecten van de 33 Limburgse gemeenten – een stuk of honderd gangbare zinnen, die je ook kunt horen. Tegelijkertijd moeten de mensen van daar het ook zelf kunnen inspreken. Daarmee ontstaat op den duur een database van duizenden dialectsprekers waarmee ook kleine verschillen tussen de gebruikers onderling duidelijk worden. De techniek maakt het vrij simpel uitvoerbaar, maar het geld moet er wel zijn.”