Door de paalworm glooit de dijk

Geschiedenis

Tot 1730 waren de Hollandse dijken met palen verstevigd. Dat was prima, tot de paalworm ging knagen.

Het is de dijk bij Zierikzee, maar het beeld is overal in Nederland gelijk. Stenen beschoeiing op een grasdijk. Foto ANP Remko de Waal

In 1730 brak aan de Nederlandse kust een paalwormepidemie uit. De zeedijken bestonden toen veelal uit palenrijen, waarachter wier- of zeegraspakketten de aarden dijklichamen beschermden. Van Zeeland tot Friesland werden de palen door paalworm aangevreten. Hoe hebben de Nederlanders gereageerd op deze voor hen ongekende ramp, die het uiterlijk van het kustlandschap blijvend zou veranderen?

De Amerikaanse historicus Adam Sundberg van Creighton University gaf onlangs op een archeologisch en historisch congres in Hoorn een overzicht. „Van de paalworm wist men in de achttiende eeuw bijna niets – op sommige prenten werd hij als een enorm monster afgebeeld. In zijn soort was de paalwormramp nieuw, maar de reacties en oplossingen wortelden in het culturele collectieve geheugen.” Nu weten we: de paalworm (Teredo navalis) is een weekdier, een boormossel.

De eerste berichten dat er iets ernstig mis was, kwamen uit Zeeland. Na een storm in november zag dijkinspecteur Edualdus Reynvaan dat palen van de West-Kapelledijk op Walcheren boven het waterpeil waren afgeknapt. Een soort worm had de palen volledig poreus gemaakt. Al snel bleken de beestjes op meer plaatsen langs de hele kust te leven. Ook al aan de West-Friese Zuiderzeekust. Eerst vervingen de waterschappen de aangevreten palen, maar dat bleek zinloos.

Koperen spijkers

Daarna kwam de aanpak van de paalworm zelf. Helemaal onbekend met de paalworm was men niet, want zeeschepen naar de Oost en de West hadden er last van. „Men viel terug op remedies uit de zeevaart,” zegt Sundberg. „Men teerde de palen, of besloeg ze met koperen spijkers. Dat hielp soms, maar was veel te duur. Dijken zijn toch iets anders dan schepen.”

Intussen ging de aantasting van de dijken door. Sundberg: „Overstromingen dreigden – een thema dat iedereen maar al te goed kende.” De waterschappen riepen leken en wetenschappers op om oplossingen aan te dragen. Dat deden ze nationaal met oproepen in onder meer de Amsterdamsche Courant en internationaal in de Europische Mercurius. Er waren drie voorwaarden: een maatregel moest bescherming bieden tegen de zeeworm, bestand zijn tegen zee en kosteneffectief zijn.

Sundland: „Er kwam een stroom van oplossingen uit binnen- en buitenland en ze werden becommentarieerd. Over het voorstel van ene Peter Schreiber uit Hamburg bijvoorbeeld: ‘Toont grote kennis van geld te hebben, maar geen kennis van de aard der wormen’.”

De gouden vondst zat er niet bij, maar wetenschappers gingen de worm wel bestuderen. De Enkhuizer medicus Cornelis Belkmeer hoorde tot de groep onderzoekers die zich over de voortplanting van de worm boog. Hij meende dat de wormeitjes in het witte slijm zaten, dat de wormen op palen achterlieten. „Hij stelde voor de buitenzijde van de palen te harden door verbranding. Verder moest het witte slijm met ‘yzere schrapers en styve borstels’ worden verwijderd,” aldus Sundberg.

De Pruisische natuurfilosoof Godfried Sellius stelde als eerste vast dat de paalworm een weekdier is. Hij probeerde de in- en uitwendige bouw te beschrijven. Zijn observaties vormden later de basis voor Linnaeus’ taxonomie van de soort. Maar een oplossing bood Sellius’ kennis niet.

Sundberg: „Men had ook geen idee waar het dier vandaan kwam. De een zei uit Oost- of West-Indië, een ander uit de warmte en zoutheid van de Noordzee en weer een ander hield het op oesterbanken. Overigens is de oorsprong van het dier nog steeds niet precies bekend.”

De combinatie van een uniek verschijnsel en een onbekende oorsprong bood predikanten de mogelijkheid om de paalworm te zien als onderdeel van de Voorzienigheid en dus een straf van God. „Er zijn aanwijzingen dat sommigen dachten dat het met sodomie te maken had.” Ook de staten, waterschappen en de geleerden die zich met de zaak bezighielden zagen de hand van God in het gebeuren. De staten organiseerden bijvoorbeeld speciale dank-, vast-, en bededagen.

Waterbestuurders

Ook Pieter Straat en Pieter van Deure, de twee West-Friese waterbestuurders die uiteindelijk in 1733 met een praktische en uitvoerbare oplossing kwamen, waren godvruchtige mannen. Hun plan kon niet zonder „Gods genadige bescherming”. Maar voor de rest vertrouwden ze volop op hun „Ontwerp tot een minst kostbaare, zeekerste en schielykste herstelling, van de zorgelyke toestand van de Westvriese zeedyken”, die ze „een nieuwe manier van Dykagie” noemden.

Hun voorstel was succesvol, vertelt Sundberg, omdat ze de paalworm nauwelijks noemden, maar een nieuw type dijk ontwierpen, nog steeds met houten palen, maar met een flauw aflopend talud dat aan de voet was versterkt met natuursteen, het welk een „onfeilbaar middel zoude zyn omme de Dyken tegen het woeden der Zee te beveilige”. Sundberg: „Hun ontwerp werkte, omdat paalwormen hout onder dikke lagen steen niet aanvreten.”

De aanleg van de nieuwe dijken kostte uiteindelijk miljoenen guldens, maar de kosten-batenanalyse viel blijkbaar positief uit, want overal verscheen het nieuwe type zeedijk. Toch zouden er later nog een paar paalwormenplagen zijn. „De wormen konden via kieren tussen de stenen toch nog bij het hout komen. In West-Friesland hield de plaag pas op toen de Zuiderzee was afgesloten, want nu weten we dat de plaag is ontstaan door een milieu-effect, door een combinatie van droogte en een bepaald zoutgehalte.”

Dat wil volgens Sundberg niet zeggen dat de paalworm geen bedreiging meer vormt. „Pieter Paalvast waarschuwt in zijn proefschrift (zie NRC 18 februari 2014, TT) voor de paalworm in de havens van Rotterdam.” Glimlachend: „Daar kan het om een schade van miljoenen gaan.”