Unicef gaat door met noodhulp in noorden Nigeria

Donderdag werd een hulpkonvooi van Unicef aangevallen, mogelijk door Boko Haram. Hulpmissies werden tijdelijk opgeschort.

Een vrouw houdt haar kind vast in een rij voor een voedingskliniek van Unicef Maiduguri. Stefan Heunis / AFP

VN-organisatie Unicef schrijft door te gaan met het hulp bieden aan miljoenen kinderen in het noordoosten van Nigeria, ondanks de aanval op een humanitair konvooi. Hulpmissies waren tijdelijk opgeschort.

Donderdag werd een humanitair konvooi aangevallen op de terugweg van een missie naar de afgelegen stad Bama in de noordelijke provincie Borno. Onder andere een medewerker van Unicef raakte gewond en belandde in een lokaal ziekenhuis. Unicef besloot dat VN-personeel enkele dagen niet meer buiten de stad Maiduguri in Borno zou reizen.

Een woordvoerder van het Nigeriaanse leger zei tegen persbureau Reuters dat de aanvallers vermoedelijk achtergebleven strijders van Boko Haram zijn. De islamitische terreurorganisatie had de deelstaat Borno voorheen in handen, maar wordt steeds verder in het defensief gedrongen. Het islamitische noorden van Nigeria wordt al jaren geplaagd door terreur van de groepering. Sinds 2009 kwamen ongeveer 10.000 Nigeriaanse burgers om het leven door het geweld. Borno werd het zwaarst getroffen.

Nigeria verkeert, mede door de afhankelijkheid van olie, in de grootste economische crisis sinds een kwarteeuw. Voedselprijzen zijn op sommige plaatsen verdubbeld. In de provincie Borno is een groot voedseltekort: volgens Unicef hebben bijna 25.000 kinderen in de deelstaat te maken met levensbedreigende ondervoeding.

Arjan de Wagt, hoofd ‘voeding’ van Unicef in Nigeria zei vorige week in een interview met NRC:

“Het noorden had altijd al te kampen met voedseltekorten. Daar kwam in Borno de terreur van Boko Haram overheen: boeren konden niet naar hun land, hun oogsten werden ingepikt. Er zijn 2 miljoen ontheemden. De meesten zijn naar Maiduguri getrokken. De stad telde 800.000 inwoners, nu verblijven er 2,2 miljoen mensen. Ik was er vorige maand: kinderen lopen in vodden, ze bedelen.”