Terreurnieuws: ingetogen is beter dan zelfcensuur

Later nieuwsmijder worden, soms lijkt het me wel wat. De krant bracht dinsdag een lezenswaardig stuk over mensen die zich, uit zelfbehoud, „afsluiten van schokkend nieuws” (Ik hoef het niet meer te weten, 26 juli).

Je kunt je er iets bij voorstellen. Die dag opende deze krant met Moord op 19 gehandicapten in Japan. Een pagina verderop: Keel Franse pastoor bij gijzeling doorgesneden. En nog een pagina verder: Duitsland siddert na ‘primeur’ van eerste zelfmoordaanslag.

Ooit hoorde je wel, tikje hooghartig, dat wie zich te veel zorgen maakte over misdaad ‘maar een andere krant moest lezen’. Maar intussen vraag je je af: welke dan? Het is nu overal Blutwoche.

Le Monde maakte deze week bekend geen foto’s van terroristen meer te zullen plaatsen, om „postume verheerlijking” van terroristen te voorkomen. Andere Franse media mijden ook hun namen.

Het is een ander, veel politieker, motief dan de gemoedsrust die nieuwsmijders nastreven.

Verdient dat navolging?

NRC Handelsblad, schreef de hoofdredactie in een reactie, wil „terughoudend” zijn „bij het tonen van propagandamateriaal, het geven van te expliciete details van aanslagen en het tonen van individuele slachtoffers”. Maar dus geen categorisch verbod.

Dat lijkt me verstandig – informatieplicht en verantwoordelijkheidsgevoel hoeven niet op gespannen voet te staan, als een krant tenminste proportie en balans goed in de gaten houdt. Zelfcensuur is geen goed alternatief voor sensationalisme.

Toch geeft die stap van Le Monde, met de nieuwsmijders in gedachten, zeker te denken.

Kennelijk bestaat nog steeds, of opnieuw, behoefte aan ingetogenheid van de media, in een tijd waarin die hun voet vrijwel constant vol op het gaspedaal hebben en waarin je denkt, met een variant op het onheilszwangere liedje, ‘dimmen kan niet meer’.

Maar het kan natuurlijk nog best, ingetogen zijn. Niet in de zin van verzwijgen of feiten negeren – dat verwijt krijgen de media ook al genoeg – maar juist van: die feiten zelf laten spreken, er geen schepje bovenop doen om nog eens extra uitdrukking te geven aan de enormiteit van het nieuws of de eigen onthutste afschuw ervan.

Die kop over de Franse priester gaf bijvoorbeeld terecht het rituele karakter van de brute moord aan. Maar een Duitsland dat „siddert”? Het doet denken aan de videoboodschap van de dader, die zei dat de Duitsers „nooit meer rustig zullen slapen”.

Enkele lezers vinden dat NRC Handelsblad ook in de presentatie met beeld en esthetiek op hoogtijdagen soms te ver gaat.

Een lezer maakt er bijvoorbeeld bezwaar tegen dat het logo ‘NRC’ op de voorpagina herhaaldelijk niet meer apart stond, maar opgenomen in een foto (bij Nice en de coup in Turkije). Hij vindt dat de krant niet moet „spelen” met de titel. Wat kunnen we dan nog meer verwachten, vraagt hij: „Als Trump wint, de Amerikaanse vlag met de letters NRC in de sterren’’?

Dat laatste zie ik niet snel gebeuren, maar dit is zeker een punt om rekening mee te houden. Hoe vaak kan je zoiets doen?

Een andere abonnee meende een „rouwrand” te zien in de zwarte balk bovenin waarmee de krant het nieuws over het bloedbad in Nice bij elkaar trok – maar een krant moet niet rouwen.

De hoofdredacteur antwoordt dit: „Het klopt dat we bij buitengewone gebeurtenissen er al eens naar streven een aparte en indrukwekkende voorpagina te maken”. Maar, zegt hij, „de plek van de kop is geen signaal of de krant ‘boven’ of ‘in’ het nieuws staat”. Hij vindt dat de krant, over de aanslag in Nice „niet alleen inhoudelijk erg sterk, maar ook vormelijk erg trefzeker en in fotogebruik erg ingehouden” heeft bericht.

Ik vond die productie ook indrukwekkend, de voorpagina incluis. Maar, in het licht van lezers die zich murw gebeukt voelen, ik begrijp hun reserves wel: sommig nieuws is al zo groot, daar hoeft de krant grafisch niet nog eens een extra klap op te geven. De ombudsvrouw van The New York Times stelde onlangs dat het partijdige imago van die krant, of dat nu terecht is of niet, wordt versterkt door gebaren als het plaatsen van een hoofdredactioneel commentaar op de voorpagina.

Aan plastische koppen is trouwens toch al geen gebrek in de krant, de laatste tijd. Een lezer wees me op dit knallende kwartet in één zaterdagkrant: Jij bent ook een mediahoer (boven het Zomeravondgesprek); De geloofwaardigheid is door de plee getrokken (anti-burgerlijke vertaling van schrijver die „down the toilet” zei), De allerbeste, al moet hij ervoor sterven (over een wielrenner die erg zijn best doet) en Mollema ‘verneukt’ klassering’ (een sportcitaat).

Het is volkomen terecht dat de krant groot op terreurnieuws blijft inzetten en pakkende koppen wil maken. Maar dat sommige lezers vrezen dat de objectiviteit met een al te heftige presentatie in het geding komt, is ook een perceptie die de krant serieus kan nemen.

De kracht van het ‘merk’ NRC is tenslotte, traditioneel, dat het ook, of juist, in verhitte tijden een zekere koelte (niet: kilte) weet te bewaren.

Reacties: ombudsman@nrc.nl