Steeds minder spot en meer mythe

‘De poëzie / is dood / en dichters zijn slechts droeve dansers / die zich ontkleden / of ontkleed worden’, dichtte Hans Vlek in 1965 in zijn debuut Anatomie voor moordenaars. Geestig genoeg droeg hij de bundel op aan zichzelf, een aangename dwarsheid die typerend is voor de in 1947 in Amsterdam geboren dichter en beeldend kunstenaar Hans R. Vlek, die 15 juli overleed. De ‘R’ bij zijn naam voegde hij pas in 1986 toe, toen hij een comeback maakte met De goddelijke gekte. Jarenlang had hij gezwegen, reizen gemaakt naar Marokko en Turkije, en religieuze verkenningen gedaan in de moskee en de Hervormde Kerk in Den Bosch.

Vlek begon als dichter van realistische poëzie, enigszins in de traditie van het tijdschrift Barbarber. Het duidelijkst verwoordde hij dat in het gedicht ‘Kies e.a.’ uit de bundel Iets eetbaars (1966). Dat gedicht opent met de regels ‘Niet de poëzie / maar de realiteit / van het boerend en hoestend, / ademend leven’, waarna een reeks beslommeringen uit het dagelijks leven volgt (ontwaken met een ontstoken kies, de geur van sokken). Meer dan de Barbarberdichters, werd Vlek als persoonlijk gezien. Critici vermoedden bij Vlek altijd nog een kleine zweem romantiek.

In de bundel Een warm hemd voor de winter (1968, Reina Prinsen Geerligs-prijs en de Jan Campert prijs) en de verzamelbundel Zwart op wit (1970) wordt de werkelijkheid steeds nadrukkelijker vormgegeven: de kunst legt het af tegen de werkelijkheid, vatte dichter en academicus Redbad Fokkema ooit de vroege periode van Vlek samen.

Halverwege de jaren tachtig maakt de spottende manier van kijken plaats voor de meer dichterlijke blik op zoek naar de verwoording van een mythe, zo blijkt uit De goddelijke gekte. Hoewel hij in zijn vroege werk ook vragen stelde over de rol van de poëzie binnen de werkelijkheid, ging hij na 1986 steeds fanatieker op zoek naar de rol van poëzie en vooral hoe die vormgegeven moest worden. In een gedicht over een bordeel liet hij bijvoorbeeld alles met de letter ‘b’ beginnen. Zijn laatste bundel, Hunnenhekel, verscheen in 1996.

‘De dood hoort niet tot mijn kennissenkring’, schreef Vlek in ‘Duurzaam materiaal’. Laten we hopen dat hij desondanks hartelijk is ontvangen.