Rechtop lopend, de blik de wereld in

Psychologe Bloeme Evers-Emden (1926 -2016) zag het jodendom als een zware rugzak die fier gedragen moest worden. Daar hielp ze anderen bij.

Foto ANP/Freek van Asperen

Het was door wat Bloeme Evers-Emden „de kleine goedheid” noemde, tegenover „het grote kwaad”, dat ze optimistisch bleef. Goedheid, dat zag ze in sommige mensen bij wie ze onderdook. In het vermogen tot liefhebben van een vreemde. Kwaad, dat is de agressie op de wereld. De Duitsers die al die gezinnen verscheurden, en mensen hun eigenheid ontnamen.

Vorige week overleed Evers-Emden, op 90-jarige leeftijd in Israël, waar ze dit jaar naartoe verhuisde. Ze was Auschwitz-overlevende, wetenschapper, hoeder van het Jodendom, moeder en (over)grootmoeder van zes kinderen en 101 kleinkinderen en achterkleinkinderen.

Evers-Emden werd geboren in 1926 in Amsterdam. Haar vader was diamantbewerker en socialist, haar moeder naaister. Ze waren joods, maar niet religieus. Ze had een zes jaar jonger zusje: Via Roosje. De periode voor de oorlog ervoer ze als liefdevol en vrij. Toen ze bij een zionistische club wilde, gaf haar vader haar het benodigde dubbeltje, ook al stond dat haaks op zijn overtuiging: dat er maar één land ter wereld is, en dat is de wereld zelf.

Hitler maakte hun leven benauwder en benauwder. Haar vader voorspelde: „Wij gaan eraan, maar zij ook.” Op een gegeven moment was Bloeme Emden de enige overgebleven leerling op haar school. Toen ze, in mei 1943, hoorde dat de Duitsers haar diezelfde avond kwamen halen, vroeg ze of ze nog snel al haar twaalf mondelinge examens mocht doen. Dat mocht, ze haalde haar diploma. Het was de laatste dag dat ze ouders en zusje zou zien. Ze zijn in Sobibor vermoord.

Emden wist ongeregistreerd te blijven, vluchtte en dook in één jaar op vijftien plekken onder. In 1944 werd ze gepakt, achttien jaar oud. Ze zat twee weken in Westerbork en een aantal maanden in Auschwitz, waar ze geregeld contact had met de familie Frank, en daarna, tot de bevrijding, in Liebau. In haar autobiografie probeert ze het onbeschrijflijke te beschrijven. Honger, dorst, dood. Depersonalisatie. Alles wat een mens tot mens maakt werd afgepakt. Maar zelfs in deze doodse omgeving bestond onder Evers-Emden en haar zeven „kampzusjes” een hoge moraal. Elk stuk extra eten ging door achten.

Na de oorlog begon het bouwen. Ze ontmoette haar man, Hans Evers, die ook al zijn joodse familieleden verloren had. Ze kregen zes kinderen: de grootst denkbare overwinning op Hitler. Over de oorlog ging het ook in dit gezin zelden. De blik stond naar voren, de tijd van de flower-power kwam eraan. Maar die grote vernietiging was dagelijks voelbaar. „We groeiden op in de schaduw van de Holocaust”, zegt haar oudste zoon, rabbijn Raphael Evers.

Lees ook een interview met rabbijn Rav Evers. Het gevoel leeft: ‘Hitler heeft ons er niet onder kunnen krijgen’

Door de oorlog was Evers-Emden zich joodser gaan voelen. Door haar kinderen, die orthodox wilden worden, ging ze ook volgens joodse wetten leven. Zelf was ze atheïst, en voor orthodoxe begrippen behoorlijk liberaal. Zo richtte ze de Joodse vrouwengroep Deborah op en kreeg ze voor elkaar dat vrouwen zelfstandig lid konden worden van de Joodse Gemeente Amsterdam. „Ik mocht haar gewoon een zoen geven”, zegt journalist Max Arian, die zich net als zij bezighield met ondergedoken kinderen.

Het Jodendom zag Evers-Emden als een rugzak, vertelt Erwin Brugmans van haar vaste sjoel in Amsterdam-West, waar ze vele oorlogskinderen hielp hun joodse identiteit te hervinden. Kies er een die je mooi vindt. Stop er een joodse steen in – een boek, een regel, een symbool. En dan nog een, en dan nog een, tot vlak voordat dat je striemen krijgt en niet meer rechtop kunt lopen. Dat ben jij: rechtop lopend,blik de wereld in, je joods-zijn als bagage.

In 1977 verloor Evers-Emden haar zoon, Sem. Hij werd aangereden toen hij naar school fietste. De rouw was diep en langdurig. „De hele oorlog kwam los”, vertelt haar zoon Raphael Evers. Ze begon zich af te vragen welke effecten de oorlog op haar had gehad. Het was veertig jaar later, de tweede generatie ging het huis uit. Het grote zwijgen kwam ten einde.

Vier boeken schreef ze over de psychologische gevolgen op ondergedoken kinderen, hun ouders en pleegouders. Het was haar verwerking. „Het ergste wat de Duitsers hebben gedaan”, zei ze, „is al die gezinnen breken.”

Tot het einde van haar leven zette ze zich in voor de joodse gemeenschap. Ze schreef, sprak en verzette zich luid tegen het toenemend antisemitisme. Bekenden omschrijven haar als alert, fel, met een bijzonder grote levensdrang. „Ze geloofde heilig in het individu”, zegt haar kleinzoon Jishai Evers, die in Israël woont. „Ze was geen oma die je op schoot nam en lief voor je was, maar ze stimuleerde ons na te denken over de wereld.” Wees humaan, leerde ze hem, en spreek je uit. „En vooral: je kunt altijd bouwen. Doorgaan. In welke situatie je ook zit.”