Onze hypocrisie jegens Turkije is uitgewerkt

Opinie Het moment breekt aan dat we zelf de deur naar Turks lidmaatschap dicht moeten gooien, schrijft politiek filosoof Luuk van Middelaar.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof in Brussel. ©

Meer dan over de mislukte coup in Turkije mogen Europa en Amerika zich zorgen maken over de voortrollende tegencoup van Erdogan sinds de nacht van 15 juli. De Turkse president heeft het complot vast niet geïnitieerd, maar wel als volleerd worstelaar de aanval laten komen, om de tegenstander met een des te hardere zwiep te vloeren en genadeloos op hem in te kunnen beuken.

Van dat laatste zijn we sinds twee weken getuige, met tienduizenden arrestaties in leger, rechterlijke macht en universiteiten, tientallen gesloten kranten en televisiestations. In Washington vraagt men zich af of Turkije nog een betrouwbare NAVO-bondgenoot is. (Gedurende een etmaal sloot de Turkse regering de luchtmachtbasis Incirlik met 50 VS-kernkoppen; luchtoperaties tegen IS vielen stil.) In Europa hebben we ook andere zorgen. Afgelopen maart sloten Angela Merkel, Mark Rutte, Donald Tusk en hun collega’s een deal met Turkije die hielp de Syrische vluchtelingenstroom in te dammen. Gaat Erdogan nu alsnog „de sluizen openen”, zoals hij in november 2015 dreigde tegen Tusk en Juncker?

Die vluchtelingendeal zakt niet meteen in elkaar, maar wel moet Europa zich voorbereiden op het moment dat we er alleen voor (willen) staan. Op termijn is het ongezond dat Turkije onze grenswacht is. We hebben tijd gekocht maar moeten die tijd gebruiken in plaats van achter de feiten aan te hollen.

In essentie beloofde de EU in maart drie dingen: 3 miljard euro voor opvangkampen, visaliberalisatie en versnelling van toetredingsgesprekken.

Met dat laatste punt, de toetredingsonderhandelingen, zit de EU klem. Het moment breekt aan dat we zelf de deur naar Turks lidmaatschap dicht moeten gooien. Anders verliezen we onze geloofwaardigheid. Een herinvoering van de doodstraf in Turkije, waar Erdogan sinds de 15-juli-coup nadrukkelijk op zinspeelt, is het onverbiddelijke breekpunt. „Geen doodstraf” is de kern van Europa’s politieke zelfbeeld. Mocht het Turkse parlement voor de doodstraf stemmen, dan moet Turkije dus subiet de status van kandidaat-lidstaat worden ontnomen.

Zoals Erdogan de coup binnen uren ‘een Godsgeschenk’ noemde, zo kan Europa de onthutsende gebeurtenissen benutten om klaarheid te scheppen. Want, coup of geen coup, doodstraf of geen doodstraf: iedereen weet dat Turkije geen EU-lid zal worden. Preuts voegt men publiekelijk toe: ‘althans niet binnen twintig jaar’. Beide zijden cultiveren de hypocrisie. Dit hielp de Turkse elite het land te moderniseren en gaf ons een welvarendere en verwesterende buur. De positieve kracht van die belofte is echter uitgewerkt, terwijl de hypotheek van Turkse toetreding wel door anti-Europese krachten binnen Europa wordt uitgebuit (zie recent de leugenachtige Leave-campagne in het Britse referendum). Zolang de ambiguïteit jegens Ankara voortduurt, blijft zulk publiek wantrouwen onweersproken. Dat is een hoge prijs.

Zou Erdogan ons deze klaarheid betaald zetten met busladingen Syriërs? Om twee redenen is dat bluf. Eén: de scherpe daling in migrantencijfers dit voorjaar kwam evenzeer door het sluiten van de Westelijke Balkanroute (februari) als door de EU-Turkije deal (maart). Twee: ook zonder lidmaatschapsperspectief blijft toegang tot de Europese markt voor de Turkse economie vitaal. Erdogan kan dan spoedig onderhandelervaringen uitwisselen met ons andere perifere buitenlid, Theresa May.