Het idee dat je vliegt

Na jaren van opoffering wil Dafne Schippers vrij van ballast zijn. Rio moet haar moment worden, haar race. Vrij en ontspannen zweven naar de finish.

Foto Robin Utrecht

Langs de kant van de atletiekbaan op Tenerife zag ik haar voor het eerst in de openlucht voorbij flitsen. Dafne Schippers in het tegenlicht van de voorjaarszon, met passen die meer op reuzensprongen leken.

De harde zolen van haar spikes klapten even op de baan en schoten alweer weg. Naar voren. Niet te veel omhoog, dat kost alleen maar tijd.

Het was maar een training, nog niet eens de volle honderd meter, maar Dafne ging voluit. Het was een serieuze test om te kijken hoe ze ervoor stond. Hijgend kwam ze teruggewandeld van de krachtsexplosie en ging zitten op een trede van de verweerde, stenen tribune. Pareltjes verschenen op haar voorhoofd terwijl haar borst op en neer ging.

Haar trainer en vertrouweling Bart Bennema had langs de kant geklokt met een stopwatch. Hij kon een grijns niet onderdrukken: „Of mijn klokje is vandaag kapot, of je hebt net je snelste 60 meter ooit gelopen.”

De mond van Dafne viel open. Ze kon het niet geloven. Zelf had ze – voor haar gevoel – helemaal niet zo lekker gelopen. Zo bleek maar weer, gevoel en feiten hebben een gespannen verhouding met elkaar in het leven van een atleet.

Eén keer eerder had ik de snelheid van Dafne met eigen ogen gezien maar dat was binnen, in de ‘tunnel’ van het trainingscentrum Papendal. Vanaf de start lag er een strip van een meter of dertig langs de baan. Het was een hypermodern systeem dat informatie verschafte. Op een monitor aan de muur kon je alles direct tot in honderdsten aflezen: startsnelheid, acceleratie, lengte van de passen, contactsnelheid.

Het was een dwarsdoorsnede van de eerste meters van Dafne.

Oud-olympisch volleybalkampioen Peter Blangé was behept met de meetapparatuur. Hij keek die ochtend naar de getallen en constateerde fluisterend dat als dit zo doorging, er twee gouden medailles voor Dafne in Rio binnen handbereik lagen.

Dafne keek zelf niet op het beeldscherm. Liever lurkte ze aan een bidon of overlegde met Bennema over het fijnslijpen van de eerste meters.

Op Tenerife keek ik van dichtbij toe hoe Dafne het startblok voor zichzelf in gereedheid bracht. Op de sprint wordt de uitslag bepaald door honderdsten fracties van seconden. Je zou verwachten dat Dafne met een rollint secuur haar blokken afstelde. Maar nee, het ging losjes, met handen en voeten.

Twee schoentjes en de breedte van twee vingers, dat is de afstand voor het voorste blok. Het achterste blok stelt ze in op de lengte van twee schoenen. Die afstelling is in de loop der jaren zo geworden. Maar ze zou het in Rio nog weer net even anders kunnen doen. Het is maar weer net hoe ze zich voelt, dwangmatig gedrag is haar vreemd.

Tactisch spel

Inmiddels heeft ze geleerd tijdens een wedstrijd niet als eerste in het startblok te gaan zitten. Ze speelt het tactische spel mee, al helpt ze zichzelf nooit over de kop met opgewonden haantjesgedrag. Waar haar tegenstanders in de ogen van de ander willen loeren, kijkt Schippers letterlijk en figuurlijk over iedereen heen.

Arrogantie is het niet, eerder de overtuiging dat je de race voor jezelf moet lopen, niet met het gedrag van een andere atleet in je hoofd.

Bij haar laatste race op een 200 meter in Londen – een paar weken voor de Spelen – lette ik op het neerzetten van haar vingers bij de start. Net als in Tenerife stond de rechterhand een paar centimeters achter de witte streep. Ze heeft haar rechterduim een aantal jaren terug geblesseerd. Tijdens een trainingsloopje vroeg Bennema of ze haar armen wat dichter tegen haar lichaam kon houden. Ze deed het en prompt bleef haar duim achter haar rug haken. Dit seizoen zijn er nog foto’s gemaakt, de gevolgen van het breukje zijn nog te zien. Dafne wil het misschien nog een keer laten opereren maar niet vóór Rio.

De oplossing voor het kleine ongemak is simpel: vingers bij de start iets naar achteren waardoor de druk op de duim afneemt. Het zal haar niet dwarszitten. Niets mag haar dwarszitten; sprinten is een manier om zo ontspannen en hard mogelijk naar de finish te lopen.

Het begeleidingsteam rond Dafne verzamelt alle data. Meten is weten. De trainers filmen bijna iedere start en kijken die terug. Bart Bennema heeft zijn laptop vol zitten met trainingen en wedstrijden. Na het terugkijken van de zilveren race van Dafne op het WK in Beijing zei hij doodkalm: „We weten wat ons te doen staat.”

Hij bedoelde: Dafne kan goud halen in Rio als ze haar start verbetert. Op de eerste meters verliest ze honderdsten van een seconde op felle en kleine atleten als wereldkampioene Shelly-Ann Fraser-Pryce. Dit voorjaar van Dafne stond vooral in het teken van haar eerste meters. Sterker nog: van haar eerste paar passen.

Hoe sneller haar spikes na de start de baan raken, des te beter. Om snelheid op te doen moet je op de grond zijn, niet in de lucht. Bennema kan uren kijken naar vertraagde beelden van zijn pupil en uitzoeken waar het beter kan. Is de stand van haar rug laag genoeg? Staat het achterste been in een hoek van grofweg 110-130 graden? Blijven de armen ontspannen? Gaat de knie snel naar voren?

Vergeleken bij de eenvoudige starts van haar olympische voorganger Fanny Blankers Koen is dit hogere wiskunde. De sprint van Dafne is in die zin een sprong in de tijd, van zwartwit in Londen naar kleur in Rio.

Naast het perfectioneren van de start werd het grootonderhoud aan de basissnelheid en de spierkracht niet vergeten op Tenerife. In het krachthonk kroop Dafne onder ‘old school’-halters voor de explosiviteit. Het was nog maanden voor Rio, nog niet alles hoefde perfect te zijn. Ze wist waar ze stond, op 80 à 90 procent van haar kunnen. Het was ook de reden dat ze liever een lang T-shirtje aanhield. Haar buik was nog niet zo strak als hij moest zijn. Waarom zou je hem dan tonen?

Brede schouders, machtige dijen

In haar vrije uurtjes op Tenerife liep Dafne langs de baai op weg naar een van de weinige strandtenten met goed eten en een loungy inrichting. Anoniem liep ze met een spiegelende pilotenbril op langs de zee. Door niemand aangestaard, zo vrij als een vogel. Ik zag haar tussen horden overwinteraars. Dafne met haar brede schouders, machtige dijen en die sprintkont tussen stramme senioren met vetschorten en rimpelruggen. Voor sommige oudjes leek honderd meter over de boulevard een marathon.

Op Tenerife kon ze me nog vertellen dat de buitenwereld meer met het behalen van goud in Rio bezig was dan zijzelf. Zo vlak voor de Spelen komt ze er nu zelf ook niet meer onderuit, al blijft ze zoveel mogelijk onder de radar. Het cordon om haar heen is getrokken, ze krijgt lang niet alles mee en toch zal ze – als ze even over de schutting gluurt of een rondje maakt op de sociale media – merken hoe hoog de verwachtingen zijn.

De verlossing ligt op de baan in Rio: voluit sprinten op de 100 en 200 meter.

Na een paar dagen zwaar trainen op Tenerife ving haar Hollandse gezicht in de vooravond nog een paar stralen van de ondergaande zon. Ik probeerde samen met haar de tien seconden van de 100 meter te verlengen.

En vroeg haar naar de fijnste momenten tijdens zo’n sprint. Er verscheen een open glimlach op haar gezicht. Glans in haar ogen.

Je hoort niets, je ziet niets

Dit is wat ze zei: „Het stuk tussen de 30 en 80 meter vind ik gewoon het allerlekkerst. Het voelen dat je zoveel macht hebt. Zeker als ik dan zie dat ik dichterbij kom op dat stuk. Dat is gewoon een supergoed gevoel. Je krijgt het idee dat je vliegt. Het voelt alsof je megagrote passen maakt. En ze zijn ook groot. Tweeënhalve meter haal ik sowieso wel, denk ik. Het voelt alsof je in een waas zit. Je hoort niets, je ziet niets. Het is een soort slow motion. Het gebeurt, maar het gaat allemaal in vertraging, terwijl je op je allerhardst loopt.”

Vanaf de zijkant van de baan maakte ik met mijn mobieltje een filmpje toen Dafne in training voorbij snelde. In slow motion. Ik meende het te kunnen zien, dat zweven, dat vliegen. Ik zei wel een keer op haar rug te willen zitten. Zij op topsnelheid, ik met mijn benen geklemd om haar middel.

Meevliegen? Dafne ontnuchterde me ter plekke, voluit lachend: „Nou, ik hoop het niet, daar ga ik niet zo hard van lopen.”

Typisch Dafne. Nuchter, vrolijk en toegewijd.

Na jaren van opoffering wil ze vrij van ballast zijn. Dit moet haar moment worden, haar race. In luttele seconden razen over de baan van Rio. Vrij en ontspannen zweven naar de finish.

Wilfried de Jong portretteerde Dafne Schippers voor het VPRO-programma Holland Sport, De citaten zijn uit dit programma afkomstig.