Het Europese nut van het fictieve straffen

Grote verontwaardiging in noordelijke eurolanden: de Duitse minister Wolfgang Schäuble heeft deze week eurocommissarissen gebeld om ze te vertellen dat Spanje en Portugal geen sancties mogen krijgen! Schäuble, de ayatollah van de 3 procent, van zuinigheid en begrotingsdiscipline, stelt voor om twee zondaars met te hoge begrotingstekorten niet te straffen! Geen wonder, schreef de Frankfurter Allgemeine, dat zoveel burgers aan Europa twijfelen als de regels met voeten worden getreden.

Het is een hardnekkig misverstand dat Europese projecten als de interne markt en de euro om cijfers draaien. Dat doen ze namelijk niet. De markt en de euro zijn puur politieke projecten. Het zijn instrumenten die door politici zijn bedacht om Europese landen te laten samenwerken in plaats van oorlogvoeren. Die projecten hebben natuurlijk regels nodig, die voor iedereen gelden. Om te zorgen dat iedereen die zo veel mogelijk respecteert, staan er straffen op overtreding. Maar daar stopt het en wordt techniek politiek. In een Europa dat sinds 1945 geen winnaars en verliezers meer kent, is het uitdelen van zo’n straf een keiharde politieke daad. Naties hebben hun trots. Een regering die straf krijgt van ‘Brussel’, kan de volgende verkiezingen verliezen. En zal zich, om zich staande te houden, zélf keihard tegen Brussel keren. In het politiek geladen Europa van vandaag, waarin ultranationalisten nieuwe nesten proberen te bouwen met anti-Europese en soms xenofobe slogans, hebben zelfs symbolische sancties de lading van een oorlogsverklaring.

Natuurlijk, dit is compleet tegenstrijdig: je fundeert de Europese economische en politieke constellatie en daarmee de welvaart en toekomst van miljoenen burgers op regels die, als puntje bij paaltje komt, niet afgedwongen kunnen worden. Politici weten dit. Waarom zeggen ministers dat niet gewoon? Waarom voert Schäuble een poppenkast op: scherpslijper naar buiten toe, maar binnenskamers coulant? Maar stel dat Schäuble dat niet zou doen. Dat hij en andere ministers op tv zouden zeggen: „Och, die sancties gaan we toch niet uitdelen.” Dan zou geen enkel land zich aan de 3 procent uit het Stabiliteitspact houden, en was het systeem allang ingestort. Nu houdt iedereen de fictie op dat ‘zondaars’ echt sancties krijgen. Dat gaat niet altijd goed – zie Griekenland. Maar je moet wel je best doen, anders vallen de Eurogroep en de Commissie publiekelijk over je heen. Geen minister wil zoiets meemaken, ten overstaan van miljoenen kijkers. Dus probeert hij zich aan de 3 procent en andere criteria te houden, en wordt hij – zoals Gerrit Zalm destijds – woedend als anderen de kantjes ervanaf lopen. Hij gebruikt het dreigement van sancties bovendien om kiezers en parlementariërs te overtuigen van de noodzaak van hervormingen en wat fiscale schoonmaak op zijn tijd.

Niet slecht, voor een arbitrair percentage dat in de jaren tachtig is bedacht door een Franse ambtenaar, toen Europese ministers van Financiën, die de euro aan het bedenken waren, ergens een streep in het zand wilden trekken. Die 3 procent, zei hij, was een totale slag in de lucht. Het had net zo goed 2 of 4 kunnen zijn.

Allemaal leuke anekdotes. Maar het punt is: dit trucje werkte in een tijd waarin burgers politici vertrouwden en ze de ruimte gaven. Nu zijn burgers achterdochtig. Ze geven politici geen centimeter meer. Compromissen, grijstinten en discretie zijn uit. Zwart-witdenken is in. Alles moet het keiharde daglicht ondubbelzinnig kunnen verdragen, anders wordt het onceremonieel bij het vuil gezet. Dit is het probleem van de euro. En van de hele Europese samenwerking.

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrjft wekelijks over politiek in Europa